Centrale Raad van Beroep, 11-02-2015 / 12-4149 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:587

Inhoudsindicatie
Appellant ontving een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) op grond van de Wet WIA. In hoger beroep staan 3 aangevallen uitspraken ter beoordeling. De LAU blijft ongewijzigd na herbeoordeling, beeindiging LGU na herbeoordeling en geen sprake van toegenomen beperkingen. De rechtbank heeft terecht de medische onderzoeken van het Uwv onderschreven. Met betrekking tot aangevallen uitspraken 1 en 2 is de arbeidskundige onderbouwing pas in hoger beroep gegeven. Daarom worden de aangevallen uitspraken 1 en 2 evenals de onderliggende bestreden besluiten, vernietigd. Omdat de Raad zich kan verenigen met de uiteindelijk gegeven toelichtingen, bestaat er aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Met betrekking tot de gronden aangaande de toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De in hoger beroep ingezonden informatie bevat geen gegevens waaruit de conclusie kan worden getrokken dat er bij appellant meer beperkingen waren dan reeds opgenomen in de FML. Aangevallen uitspraak 3 wordt bevestigd. Veroordeling Uwv in pkv en gr.recht, geen wettelijke rente.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-11
Publicatiedatum
2015-03-02
Zaaknummer
12-4149 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/4149 WIA, 13/3691 WIA, 14/3272 WIA

Datum uitspraak: 11 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van

13 juni 2012, 12/416 (aangevallen uitspraak 1) en de rechtbank Limburg van 5 juni 2013, 12/1916 (aangevallen uitspraak 2) en 28 mei 2014, 13/816 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd, plaatsgevonden op 10 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.V.A.Y. Dassen-Vrancken, kantoorgenoot van mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 19 september 2007 een loongerelateerde

WGA-uitkering (LGU) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA). Bij besluit van 19 november 2008 is aan appellant meegedeeld dat de LGU eindigt op 1 oktober 2008 en dat hij vanaf die datum recht heeft op een

WGA-loonaanvullingsuitkering (LAU).


1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft appellant op 26 april 2011 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, die in zijn rapport van 28 april 2011 tot de conclusie is gekomen dat appellant als gevolg van psychische klachten beperkingen heeft in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 april 2011. Vervolgens is een arbeidsdeskundige in zijn rapport van 23 mei 2011 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen maatmanfunctie, maar nog wel geschikt is voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 40,01%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2011 aan appellant laten weten dat zijn LAU ongewijzigd blijft, maar dat vanaf 6 juni 2013 voor hem de inkomenseis zal gaan gelden.


1.3.

Bij besluit van 24 januari 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juni 2011 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2011. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML op een aantal aspecten (in verschillende rubrieken) aangepast. Op basis van de aangepaste FML van 22 november 2011 is een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 januari 2012 tot de conclusie gekomen dat een drietal voor appellant geselecteerde functies niet meer geschikt zijn. Hij heeft twee nieuwe functies bijgeduid en vervolgens vastgesteld dat appellant een verlies aan verdienvermogen heeft van 40,63%.


2.1.

Op 30 januari 2012 heeft appellant in het kader van een herbeoordeling wederom het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. In haar rapport van 1 februari 2012 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen reden meer is voor het aannemen van een urenbeperking omdat de medicatie op grond waarvan appellant energetische beperkingen ondervond is gestopt. De overige (eerder vastgestelde) beperkingen blijven door de verzekeringsarts, zoals weergegeven in de FML van 1 februari 2012, gehandhaafd. Bij het arbeidskundig onderzoek heeft de arbeidsdeskundige na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op nihil. Bij besluit van 13 april 2012 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij vanaf 14 juni 2012 geen recht meer heeft op een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt.


2.2.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 april 2012 is bij besluit van

3 oktober 2012 (bestreden besluit 2), met verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 september 2012 en het rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 oktober 2012, ongegrond verklaard.


3. Op 12 september 2012 heeft appellant melding gedaan van verslechterde gezondheid ingaande 7 september 2012. Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het Uwv hem een uitkering op grond van de Wet WIA geweigerd, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Bij besluit van 4 maart 2013 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2012, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 maart 2013, ongegrond verklaard.


4.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het door appellant tegen bestreden

besluit 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, geen aanleiding gezien om de bevindingen van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat er bij appellant sprake is van (beperkingen als gevolg van) ADHD, dan wel dat er nog sprake is van een PTSS. Daarbij merkt de rechtbank op dat appellant, volgens eigen verklaring, sinds mei 2010 niet meer in behandeling is voor zijn psychische klachten. Dat op grond van de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis bij appellant meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen is niet nader (medisch) onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de belastbaarheid van appellant juist weergegeven in de aangepaste FML. Tot slot heeft de rechtbank, met verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 januari 2012, geconcludeerd dat de arbeidsdeskundige genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de belastbaarheid van appellant in de geduide functies niet wordt overschreden.


4.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het door appellant tegen bestreden

besluit 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken voldoende en zorgvuldig zijn geweest. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de behandelend internist van 29 augustus 2012 bij zijn oordeel heeft meegewogen. De rechtbank heeft in haar uitspraak tevens aandacht besteed aan het door appellant in beroep overgelegde rapport van Argonaut van 9 november 2012. De rechtbank heeft daarin geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zoals neergelegd in de rapporten van 16 november 2012 en 30 november 2012. De rechtbank heeft zich voorts verenigd met de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 en geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft geoordeeld dat appellant vanaf

14 juni 2012 geen aanspraak meer kan maken op een uitkering ingevolge de Wet WIA.


4.3.

Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het door appellant tegen bestreden

besluit 3 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken op een voldoende en zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. De verzekeringsartsen hebben de in het dossier aanwezige ruime hoeveelheid gegevens bij hun beoordeling betrokken. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gemotiveerd op het rapport van Argonaut is ingegaan. Appellant heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die twijfel wekken over de correctheid van zijn belastbaarheid per datum in geding. Het rapport van Argonaut is opgesteld op verzoek van de gemeente teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen over de fysieke en mentale inzetbaarheid van appellant in het kader van re-integratie. De conclusie van Argonaut dat het niet aan te raden is om een traject richting betaald werk of vrijwilligerswerk op te starten zegt naar het oordeel van de rechtbank niets over de aangenomen beperkingen in de FML van 1 februari 2012 en biedt naar het oordeel van de rechtbank evenmin steun voor de stelling van appellant dat sinds 7 september 2012 sprake is van toegenomen beperkingen.


5. In de hoger beroepen heeft appellant dat wat hij in de eerdere procedures heeft aangevoerd gehandhaafd. Samengevat is appellant van mening dat op de data in geding zijn medische beperkingen, met name op psychisch en sociaal functioneren, zijn onderschat. Ten onrechte is geen beperking gegeven vanwege noodzakelijke begeleiding. Appellant stelt dat hij op de werkvloer en bij het uitvoeren van werkzaamheden voortdurend (extreme) begeleiding nodig heeft. Uit het rapport van Argonaut blijkt volgens appellant dat hij in een arbeidsrelatie, noch in een andere relatie, normaal kan functioneren op grond van zijn psychische problematiek en hij dus niet in staat is om reële arbeid op de vrije arbeidsmarkt te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere medische stukken overgelegd.


6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


124149 WIA


6.1.

De rechtbank heeft met juistheid het medisch onderzoek van het Uwv onderschreven. De overwegingen ter zake van de rechtbank worden volledig onderschreven. In hoger beroep heeft appellant geen wezenlijke andere gezichtspunten of medische gegevens naar voren gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden. Uit de in hoger beroep overgelegde informatie van Argonaut van 9 november 2012 en de Riagg van 18 september 2014 en

28 november 2014 blijkt dat appellant ruim na de datum in geding, oktober/november 2012, is aangemeld. De informatie van Argonaut en de Riagg hebben geen betrekking op de datum in geding en bevatten ook geen gegevens waaruit blijkt dat appellant op de datum in geding, te weten 6 juni 2011, meer beperkt was dan waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 22 november 2011 is uitgegaan.


6.2.

Met betrekking tot de arbeidskundige beoordeling en de vraag of appellant rekening houdende met zijn functionele mogelijkheden en beperkingen zoals neergelegd in de FML van 22 november 2011 in staat is om de door het Uwv in aanmerking genomen arbeid te verrichten, wordt het volgende overwogen. Op grond van het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 januari 2012 wordt vastgesteld dat de schatting uiteindelijk berust op de functies inpakker (111190), administratief medewerker afhandelingen (515080) en archief medewerker, medewerker bibliotheek (315130). Vastgesteld wordt dat in deze functies signaleringen voorkomen en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport bij aspect 3.6 “stof, rook, gassen en dampen” heeft vermeld dat voornoemde stoffen niet in de geduide functies voorkomen. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van

5 november 2014 nader gemotiveerd dat de functies inpakker en archiefmedewerker, medewerker bibliotheek, gelet op het nadere commentaar van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 november 2014, in overeenstemming zijn met de voor appellant vastgestelde beperking op het onderdeel 3.6 van de FML, geen stof, gras of pollen. Met deze toelichting heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toereikend gemotiveerd waarom de belasting in die functies geen overschrijdingen oplevert van de belastbaarheid van appellant.


6.3.

Nu pas in hoger beroep een juiste arbeidskundige onderbouwing is gegeven dient aangevallen uitspraak 1, evenals bestreden besluit 1, te worden vernietigd. Aangezien de Raad zich kan verenigen met de uiteindelijk gegeven toelichtingen is er aanleiding om de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten.


133691 WIA


6.4.

Er bestaat geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De verzekeringsarts heeft een anamnese afgenomen, kennisgenomen van alle dossierstukken en appellant psychisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossierstudie verricht, appellant op de hoorzitting gezien en de informatie van de behandelend internist van 29 augustus 2012 bij zijn oordeel betrokken. De door appellant in beroep overgelegde informatie van Argonaut van 9 november 2012 werpt, mede gelet op de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 november 2012, geen ander licht op de medische situatie van appellant op de datum in geding, te weten 14 juni 2012. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Raad evenmin aanleiding om te oordelen dat de beperkingen van appellant op de datum in geding zijn onderschat. De in hoger beroep ingebrachte informatie van de Riagg van 18 september 2014 en 28 november 2014 kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien de informatie niet ziet op de datum in geding.


6.5.

De Raad merkt verder op dat de verzekeringsarts in haar rapport van 1 februari 2012 heeft gesteld dat appellant niet blootgesteld mag worden aan grassen, pollen of stof. Dit is in de FML van 1 februari 2012 niet opgenomen als een beperking. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep desgevraagd aangegeven dat in de FML van

1 februari 2012 een beperking op het onderdeel 3.6 “stof, rook, gassen en dampen” had moet worden aangenomen. Om die reden heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep desgevraagd de (medische) geschiktheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld en in het rapport van 5 november 2014 een nadere toelichting gegeven op de in de functies voorkomende signalering op aspect 3.6. Met deze toelichting heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toereikend gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijdingen oplevert van de belastbaarheid van appellant.


6.6.

Nu ook in dit geding pas in hoger beroep een juiste (medische en) arbeidskundige onderbouwing is gegeven dient aangevallen uitspraak 2, evenals bestreden besluit 2, te worden vernietigd. Aangezien de Raad zich kan verenigen met de uiteindelijk gegeven toelichtingen is er aanleiding om de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.







143272 WIA


6.7.

Ingevolge het bepaalde in artikel 55, eerste lid, aanhef en sub b, in samenhang met het derde lid, van de Wet WIA, geldt geen wachttijd indien binnen vijf jaar na de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, van de Wet WIA, sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, die voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan de verzekerde gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Daarom zijn in dit geval het uitgangspunt de medische beperkingen welke zijn neergelegd in de FML van 1 februari 2012.


6.8.

Wat appellant in hoger beroep heeft gesteld vormt een herhaling van hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De in hoger beroep ingezonden informatie van de Riagg van

18 september 2014 en 28 november 2014, waaruit blijkt dat appellant in november 2012 onder behandeling is gekomen, bevat evenals de informatie van Argonaut van

9 november 2012 geen gegevens waaruit de conclusie kan worden getrokken dat er per

7 september 2012 bij appellant meer beperkingen waren dan reeds opgenomen in de FML van 1 februari 2012.


6.9.

Uit het vorenstaande volgt dat dit hoger beroep niet slaagt en aangevallen uitspraak 3 dient te worden bevestigd.


7. Gelet op wat in 6.3 en 6.6 is overwogen bestaat er aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van de beroepen en de hoger beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.960,- voor verleende rechtsbijstand in beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 en op € 1.960,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2, in totaal € 3.920,-. Er bestaat geen aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar, nu van herroepen van de primaire besluiten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb geen sprake is.




















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt aangevallen uitspraak 3;

- vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt deze besluiten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten 1 en 2 in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 3.920,-;

- bepaalt dat het Uwv de door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 317,- vergoedt;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) D. van Wijk





NK