Centrale Raad van Beroep, 27-02-2015 / 13-3916 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:589

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering voor de AOW. Appellante heeft haar aanvraag niet ingediend binnen één jaar nadat haar verplichte verzekering voor de AOW is geëindigd. Geen zodanig bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn niet aan appellante zou mogen worden tegengeworpen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-27
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
13-3916 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3916 AOW

Datum uitspraak: 27 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 juni 2013, 12/5734 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Spanje (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.M. Aalders.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante, geboren [datum] 1948, is per 1 februari 2001 met haar echtgenoot naar Spanje geëmigreerd.


1.2.

In juli 2012 heeft appellante de Svb verzocht om haar toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op deze aanvraag heeft de Svb bij besluit van 9 augustus 2012 afwijzend beslist op de aan artikel 36 van de AOW ontleende grond dat appellante haar aanvraag niet heeft ingediend binnen één jaar na 1 februari 2001, de dag waarop de verplichte verzekering voor de AOW van appellante is geëindigd. Dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2012 (bestreden besluit) gehandhaafd.


2. Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij destijds door onjuiste informatie op het verkeerde been is gezet en dat haar niet mag worden tegengeworpen dat zij dit niet meer kan bewijzen.


3.2.

De Svb heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd is ook in eerste aanleg aangevoerd. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank gebezigde overwegingen en gegeven oordelen en maakt deze tot de zijne. Wat appellante naar voren heeft gebracht leidt niet tot de conclusie dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn niet aan appellante zou mogen worden tegengeworpen. De door appellante geschetste omstandigheden, die erop neerkomen dat onbekendheid met de regels in haar geval is aan te merken als een bijzondere omstandigheid omdat zij onder verantwoordelijkheid van de Svb op het verkeerde been is gezet, leveren geen in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden op. Daartoe wordt overwogen dat op grond van de beschikbare gegevens ook voor de Raad niet is komen vast te staan dat appellante van de zijde van de Svb niet juist is geïnformeerd en dat appellante daardoor op het verkeerde been is gezet.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2015.




(getekend) E.E.V. Lenos




(getekend) M. Crum






NK