Centrale Raad van Beroep, 25-02-2015 / 14-853 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:590

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering WW-uitkering op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW. Het in de tussenuitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank bracht niet mee dat het slechts door nader onderzoek tot een inhoudelijk gelijkluidend besluit kon komen. Een verandering van de juridische grondslag behoorde ook tot de mogelijkheden. Appellant is tijdens het ontvangen van WW-uitkeringen werkzaamheden blijven verrichten voor de werkgeefster en hij heeft deze werkzaamheden niet gemeld aan het Uwv, waarmee vaststaat dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 25 van de WW heeft geschonden. Appellant heeft ook achteraf geen verifieerbare gegevens overgelegd van de door hem gewerkte uren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
14-853 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/853 WW

Datum uitspraak: 25 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

20 december 2013, 12/1839 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft in loondienst gewerkt voor [BV] (werkgeefster), waarvan zijn broer directeur was. Van 1 augustus 2006 tot 28 juli 2008 en van 27 februari 2009 tot 27 juli 2010 heeft appellant uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen, berekend naar een arbeidsurenverlies van 40, onderscheidenlijk 55,48. Op basis van een rapport werknemersfraude van 23 augustus 2011 heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat appellant tijdens het ontvangen van die uitkeringen werkzaamheden is blijven verrichten voor de werkgeefster, maar daarvan geen melding heeft gedaan bij het Uwv. Bij besluit van 2 september 2011 heeft het Uwv de WW-uitkeringen over de periode van 31 juli 2006 tot en met 1 augustus 2010 ingetrokken en een volgens hem onverschuldigd betaald bedrag van € 69.860,34 van appellant teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 12 april 2012 heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd. Het Uwv heeft gesteld dat appellant geen enkel inzicht heeft gegeven in de omvang van zijn werkzaamheden, dat zijn verklaring daarover niet altijd betrouwbaar is en dat het voor het Uwv achteraf gezien moeilijk is om die omvang precies vast te stellen. Zij is door het Uwv gesteld op minimaal 50,48 uur per week.


1.2.

In een tussenuitspraak van 7 mei 2013 heeft de rechtbank overwogen dat de in het frauderapport opgenomen verklaringen voldoende grondslag boden voor het standpunt van het Uwv dat appellant met ingang van 1 augustus 2006 werkzaamheden heeft verricht voor de werkgeefster en zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Volgens de rechtbank was echter onvoldoende komen vast te staan dat appellant gedurende 40 en later gedurende 50,58 (lees: 50,48) uren per week werkzaam was en dat zijn WW-uitkeringen volledig zouden moeten worden ingetrokken, en was het besluit van 12 april 2012 daarom genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen. Zij heeft overwogen dat het Uwv nader onderzoek zal moeten doen naar de omvang van de werkzaamheden van appellant dan wel nader zal moeten motiveren waarom de omvang 50,58 (lees: 50,48) uren of minder bedraagt. Dat herstellen kan volgens de rechtbank hetzij door een aanvullende motivering van het besluit van 12 april 2012, hetzij met een nieuwe beslissing op bezwaar.


1.3.

Bij besluit van 12 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 12 april 2012 gewijzigd. In het bestreden besluit heeft het Uwv gesteld dat een beredeneerde schatting van de door appellant gewerkte dagen en uren niet mogelijk is door het ontbreken van informatie daarover, en is artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW ten grondslag gelegd aan de intrekking van de WW-uitkeringen van appellant. Verwezen is naar de uitspraak van de Raad van 21 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT2456).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voor zover van belang, het beroep van appellant tegen het besluit van 12 april 2012 voor zover gericht tegen de intrekking van de WW-uitkerting niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor zover gericht tegen de terugvordering van de WW-uitkering ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld en dat de door appellant op verzoek van de rechtbank verstrekte nadere gegevens over het aantal door hem gewerkte uren geen aanleiding geven om het gewijzigde standpunt van het Uwv niet te volgen.


3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voor zover zijn beroep tegen het besluit van 12 april 2012 en het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

Appellant heeft betoogd dat de aangevallen uitspraak onvoldoende is gemotiveerd, dat het Uwv geen gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak van

7 mei 2013 om een nader onderzoek te verrichten, en dat op grond van de nadere gegevens die hij heeft overgelegd een beredeneerde schatting van het aantal gewerkte uren zeer wel mogelijk is. Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat 12,5 uur per week als een redelijke schatting kan worden beschouwd. Appellant heeft verder benadrukt dat hij geen financieel voordeel heeft genoten van zijn werkzaamheden, omdat hij daarvoor niet is betaald.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

In artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW is bepaald dat, onverminderd het elders in de WW bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, het Uwv een dergelijk besluit herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.


4.1.2.

In artikel 25 van de WW is bepaald dat de werknemer verplicht is aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.


4.1.3.

In artikel 36, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Uwv een uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald, terugvordert.


4.2.

Het in de tussenuitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank bracht niet mee dat het slechts door nader onderzoek tot een inhoudelijk gelijkluidend besluit kon komen. Een verandering van de jurische grondslag behoorde immers ook tot de mogelijkheden, mede gelet op het feit dat het Uwv al had vermeld dat de omvang moeilijk precies was vast te stellen. Het in 3.1 weergegeven standpunt van appellant wordt dan ook niet gevolgd. De rechtbank heeft gelet op de aangevallen uitspraak ook niet een zo beperkte uitleg aan haar eigen tussenuitspraak gegeven. Er bestaat geen aanleiding om appellant te volgen in zijn standpunt dat het Uwv die tussenuitspraak niet heeft opgevolgd.


4.3.

Niet in geschil is dat appellant tijdens het ontvangen van WW-uitkeringen werkzaamheden is blijven verrichten voor de werkgeefster en dat hij deze werkzaamheden niet heeft gemeld aan het Uwv. Hiermee staat vast dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 25 van de WW heeft geschonden. Dat appellant naar zijn zeggen niet is betaald voor zijn werkzaamheden is niet relevant, omdat slechts het aantal gewerkte uren leidt tot korting op het WW-recht.


4.4.

Appellant heeft ook achteraf geen verifieerbare gegevens overgelegd van de door hem gewerkte uren. Hierdoor was het voor het Uwv, gelet op de aard en diversiteit van die werkzaamheden en gelet op de summiere wel verstrekte gegevens, niet mogelijk om de omvang van de door appellant gewerkte uren vast te stellen of daarvan een beredeneerde schatting te maken. De ter zitting door appellant genoemde omvang van 12,5 uur per week wordt bij gebreke van verifieerbare gegevens niet gevolgd. In deze situatie heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in

artikel 25 van de WW, ertoe heeft geleid dat niet kan worden vastgesteld of vanaf 1 augustus 2006 recht op uitkering bestond. Het met toepassing van artikel 22a, eerste lid aanhef en onder c, van de WW genomen bestreden besluit is door de rechtbank terecht in stand gelaten.


4.5.

Appellant heeft tegen de terugvordering van de WW-uitkeringen geen zelfstandige gronden aangevoerd.


4.6.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover deze is aangevochten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015.



(getekend) H.G. Rottier




(getekend) I. Mehagnoul



HD