Centrale Raad van Beroep, 02-03-2015 / 13-2623 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:603

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Intrekking WIA-uitkering. Geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en hun oordeel over de beperkingen, zoals neergelegd in de FML voor onjuist te houden. De geschiktheid voor de geduide functies is onvoldoende toegelicht, zodat niet is komen vast te staan of aan de schatting ten minste drie functies ten grondslag liggen als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-02
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
13-2623 WIA-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2623 WIA-T

Datum uitspraak: 2 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 april 2013, 12/1189 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 januari 2015 heeft appellant medische informatie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2015. Appellant is verschenen, met bijstand van mr. J.F.D. Bruinsma, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sedert 16 juli 2007 gedurende 14,48 uur per week werkzaam geweest als pakketsorteerder bij [naam werkgever] via uitzendbureau [naam uitzendbureau]. Op 27 november 2008 is appellant voor deze werkzaamheden uitgevallen vanwege klachten aan zijn linkeronderbeen. In maart 2009 is appellant betrokken geraakt bij een kettingbotsing van personenauto’s, waarna whiplashklachten zijn ontstaan. In verband met een operatie aan het linkerbeen in november 2010 is appellant om medische redenen volledig arbeidsongeschiktheid geacht in verband waarmee hem ingaande 11 december 2010 (einde wachttijd) een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is toegekend.


1.2.

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant met ingang van 14 februari 2012 ingetrokken omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 25 april 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat eerst in beroep een volledige arbeidskundige motivering is gegeven. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit heeft de rechtbank in stand gelaten, omdat het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat appellant met de bij hem vastgestelde arbeidsbeperkingen in staat is de voor hem geselecteerde functies te vervullen en appellant bijgevolg minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


3.1.

Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Appellant heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat zijn beperkingen, meer in het bijzonder ten aanzien van het linkerbeen, door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Appellant heeft verzocht om terzake een deskundige te benoemen voor het instellen van een nader medisch onderzoek. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat is om de voor hem geselecteerde functies te vervullen. Appellant meent dat de door de arbeidsdeskundige in het rapport van 10 juli 2012 gegeven toelichting waarom zijn belastbaarheid in deze functies niet wordt overschreden, onvoldoende is.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) onzorgvuldig te achten en hun oordeel over de voor appellant geldende beperkingen, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 oktober 2011, voor het verrichten van arbeid voor onjuist te houden. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 21 oktober 2011 en 24 april 2012 blijkt dat de verzekeringsartsen appellant op hun spreekuur hebben gezien. De verzekeringsarts is, mede op basis van een bij appellant verricht lichamelijk onderzoek, tot de conclusie gekomen dat appellant geen klachten en beperkingen meer ondervindt van zijn linkerbeen sinds het herstel na de operatie in 2010. De klachten van de nek, schouder en bovenrug konden volgens de verzekeringsarts bij specialistisch onderzoek niet diagnostisch geobjectiveerd worden. Die klachten leiden wel tot het aannemen van lichte beperkingen ten aanzien van tillen (tot 10 kg en incidenteel, tot enkele keren per uur, 15 kg), bovenhands werken en het hoofd in een bepaalde stand houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant ingebrachte medische informatie van zijn behandelend chirurg, reumatoloog en huisarts, welke informatie appellant in hoger beroep nogmaals heeft ingediend, op kenbare wijze bij zijn beoordeling betrokken. Hij heeft geconstateerd dat er geen gronden naar voren zijn gekomen om af te wijken van het primair medisch oordeel. De Raad heeft geen aanwijzingen gevonden om het standpunt van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden.


4.2.

Evenmin als hij in beroep heeft gedaan heeft appellant in hoger beroep informatie overgelegd waaruit blijkt dat te geringe beperkingen ten aanzien van hem zijn vastgesteld. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om, zoals door appellant is verzocht, een onafhankelijk deskundige te benoemen. De Raad acht zich voldoende voorgelicht over de gezondheidstoestand van appellant en zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten.


4.3.

De beroepsgrond dat appellant in zijn procesvoering in geschaad nu hij eerst op 8 januari 2013 ter zitting van de rechtbank kennis heeft kunnen nemen van het arbeidskundige rapport van 10 juli 2012 slaagt niet. De Raad stelt vast dat dit arbeidskundige rapport door het Uwv reeds op 18 juli 2012 gelijktijdig met de op de zaak betrekking hebbende stukken bij de rechtbank is ingediend en door de rechtbank bij brief van gelijke datum aan de gemachtigde van appellant is toegezonden.


4.4.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv voor appellant in totaal zes functies heeft geselecteerd als geschikte arbeidsmogelijkheden, waarvan de houtwarensamensteller (sbc-code 262140), wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050) en productiemedewerker industrie (sbc-code 11180) ten grondslag zijn gelegd aan de arbeidsongeschiktheidsschatting. De arbeidsdeskundige heeft in zijn aanvullende rapport van 10 juli 2012 een onderbouwing gegeven van de geschiktheid van appellant voor deze functies. De Raad stelt met appellant vast dat de arbeidskundige niet alle overschrijdingen en signaleringen heeft toegelicht. Meer in het bijzonder ontbreekt een onderbouwing op de beoordelingspunten 4.12 (kortcyclisch torderen), 5.6 (gebogen en/of getordeerd actief zijn) en 7.1 (probleemoplossen). Voorts heeft de arbeidsdeskundige niet onderkend dat appellant beperkt is geacht voor beoordelingspunt 5.7 (boven schouderhoogte actief zijn), zodat zijn toelichting op dit punt een nadere motivering behoeft. Met betrekking tot beoordelingspunt 4.15 (frequent zware lasten hanteren) in de functies van houtwarensamensteller en samensteller metaalwaren heeft de arbeidsdeskundige gesteld dat appellant weliswaar veel kilo’s (5 keer 10 kg en 60 keer 5 kg) per uur verzet, maar dat dit in hanteerbare eenheden geschiedt. De Raad acht deze toelichting, zonder nader overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, ontoereikend voor het standpunt dat de tilbelasting in deze functies appellants mogelijkheden niet te boven gaat.


4.5.

Nu de geschiktheid voor de geduide functies nog onvoldoende is toegelicht, is niet komen vast te staan of aan de schatting ten minste drie functies ten grondslag liggen als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.


5. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv opdracht te geven het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarbij zal het Uwv alsnog nader dienen te motiveren dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten, waarbij tevens hetgeen appellant ter zitting van de Raad heeft aangevoerd, kan worden betrokken.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het hiervoor aangegeven gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) W. de Braal




NW