Centrale Raad van Beroep, 24-02-2015 / 13-6855 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:621

Inhoudsindicatie
Opschorting, intrekking en terugvordering bijstand. Niet tijdig de gevraagde bankafschriften verstrekt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het tegoed op de twee bankrekeningen niet tot haar vermogen behoorde. Schending inlichtingverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-24
Publicatiedatum
2015-03-10
Zaaknummer
13-6855 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6855 WWB

Datum uitspraak: 24 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

14 november 2013, 13/529 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2015. Namens appellante is verschenen mr. Crutzen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.F. Dekker.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 16 september 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Naar aanleiding van een melding in juli 2011 dat appellante over een tweetal bankrekeningen beschikte die niet bij het college bekend waren, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Bij brief van 25 juli 2011 heeft het college appellante gevraagd binnen 14 dagen alle bankafschriften van die rekeningen over de jaren 2009 en 2010 over te leggen. Appellante heeft vervolgens de financiële jaaroverzichten van 2009 en 2010 van die rekeningen overgelegd, alsmede een door haar ondertekende verklaring van 15 augustus 2011, dat de stortingen op die bankrekeningen waren verricht door een buitenlandse vriend die dat geld nodig had voor een operatie in Duitsland. Tevens heeft zij een verklaring van die vriend van 10 augustus 2011 overgelegd, dat hij al het aan haar overgemaakte geld weer heeft ontvangen in verband met die medische behandeling, alsmede medische verklaringen en rapporten over de gezondheidstoestand van die vriend.


1.3.

Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft het college met toepassing van artikel 54,

eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellante met ingang van 8 augustus 2011 opgeschort omdat appellante niet de gevraagde bankafschriften heeft verstrekt. Appellante is daarbij alsnog in de gelegenheid gesteld om uiterlijk vóór 2 september 2011 de gevraagde bankafschriften over te leggen. Daarbij is appellante tevens meegedeeld dat de bijstand met ingang van de opschortingsdatum wordt ingetrokken als zij geen gevolg geeft aan dit verzoek. Appellante heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven en heeft bezwaar gemaakt tegen de opschorting. Dit bezwaar heeft het college ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen beroep ingesteld.


1.4.

Bij besluit van 15 september 2011 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2009 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

1 januari 2009 tot en met 31 juli 2011 tot een bedrag van € 37.853,14 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2011 gegrond verklaard. Het college heeft de periode waarover de bijstand wordt ingetrokken beperkt tot de periode van 14 mei 2009 tot en met 7 augustus 2011 en het teruggevorderde bedrag vastgesteld op € 32.725,50. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat door het niet nakomen van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante van 14 mei 2009 tot en met 7 augustus 2011 niet kan worden vastgesteld. Vanaf 8 augustus 2011 heeft het college de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking van 14 mei 2009 tot en met 7 augustus 2011


4.1.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Indien de betrokkene niet aan die inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.3.

Appellante heeft erkend dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te doen van de onder 1.2 genoemde bankrekeningen. Of haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt, is niet relevant voor de vaststelling dat zij de inlichtingen niet heeft verschaft. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 16 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0331) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.


4.4.

De stelling van appellante dat zij vanaf 14 mei 2009, de datum van de eerste bijschrijving van een aanzienlijk bedrag op een van haar bankrekeningen, in het geheel niet heeft kunnen beschikken over die gelden omdat die bestemd waren voor de bekostiging van het verblijf van haar buitenlandse vriend in Nederland en van de operatie van die vriend in een ziekenhuis in Aken, treft geen doel, reeds omdat die operatie niet is doorgegaan, zoals mr. Crutzen op de hoorzitting op 26 september 2011 heeft verklaard. Dit laat overigens onverlet dat de omstandigheid dat zij geen verdere informatie kan verschaffen over die vriend omdat het haar niet lukt om met hem in contact te komen, voor haar rekening en risico komt.

4.5.

De stelling van appellante dat zij niet in staat was van een bankpas met pincode gebruik te maken en dat de vriend de beschikking had over deze bankpassen en die bankrekeningen, miskent dat appellante de bewuste bankrekeningen zelf heeft geopend, dat in (telefonisch) overleg met appellante in de periode in geding grote geldsommen op die bankrekeningen zijn bij- en afgeschreven, dat er meerdere bankpassen van die bankrekeningen in omloop waren en dat met die bankpassen ook reguliere (pin)betalingen in Heerlen en omgeving hebben plaatsgevonden.


4.6.

Wat hiervoor is overwogen, leidt tot de slotsom dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het tegoed op de twee bankrekeningen niet tot haar vermogen behoorde.


4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat vanaf 14 mei 2009 op verschillende momenten grote bedragen, onder andere vanuit Jordanië, op de betreffende bankrekeningen zijn gestort. Voorts blijkt uit de bankafschriften dat kort na die bijschrijvingen vrijwel gelijktijdig, in dezelfde maanden, vergelijkbaar grote bedragen door middel van kas- en geldautomaatopnames in Heerlen en naaste omgeving weer aan die rekeningen zijn onttrokken. Ook is er sprake van de aankoop van vliegtickets via die bankrekeningen, onder meer voor een vlucht van Amsterdam naar Beiroet, en van geldautomaatopnames in Beiroet en Damascus van die bankrekeningen. Nu ook met de in de bezwaarfase overgelegde bankafschriften, gelet op de bovenvermelde fluctuaties op die bankrekeningen, het recht op bijstand van appellante over de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld, ook niet op nihil, kon het college ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, het eerder genomen toekenningbesluit intrekken, nu het niet of niet behoorlijk naleven van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand.


4.8.

De omstandigheid dat het college appellante in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand een overbruggingskrediet heeft toegekend zonder het opleggen van een maatregel vanwege een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB, leidt gezien de bedoeling van zo’n overbruggingskrediet niet tot een ander oordeel.


Intrekking met ingang van 8 augustus 2011


4.9.

Het besluit tot opschorting van de bijstand staat in rechte vast, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 8 augustus 2011 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden. Niet in geschil is dat appellante niet aan de verzoeken heeft voldaan om tijdig de gevraagde bankafschriften over te leggen. Derhalve resteert enkel de vraag of het niet alsnog binnen de gegeven hersteltermijn voldoen aan het verzoek om de bankafschriften over te leggen, appellante verweten kan worden.


4.10.

Appellante heeft aangevoerd dat de haar verleende termijn voor het overleggen van de bankafschriften te kort was omdat zij afhankelijk was van de medewerking van de bank. Ook heeft de dochter van appellante op 26 augustus 2011 telefonisch contact gehad met het college en aangegeven dat de bankafschriften nog niet in hun bezit waren vanwege de hieraan verbonden kosten. De stelling dat de termijn te kort was, treft geen doel. Bij de onder 1.2 genoemde brief van 25 juli 2011 heeft het college appellante al verzocht de bankafschriften over te leggen. In aanmerking genomen dat uit een telefoonrapport van het college van

1 augustus 2011 blijkt dat de dochter van appellante op 1 augustus 2011 het college heeft bericht dat zij die dag van de bank te horen had gekregen dat ze de bankafschriften over circa twee weken zou krijgen, is niet goed verklaarbaar waarom die afschriften op 25 augustus 2011 nog niet in het bezit van appellante waren. Uit een telefoonrapport van 26 augustus 2011 van het college blijkt dat de dochter van appellante op die dag heeft geklaagd dat het opvragen van de bankafschriften € 150,- kostte en ontstemd was dat dit voor rekening van appellante kwam en dat ze maar een week de tijd kreeg. Dit duidt erop dat de eerdere berichtgeving van de dochter over de opvraag op 1 augustus 2011 niet juist is. Uit dit rapport blijkt niet dat zij op 26 augustus 2011 namens appellante om uitstel voor het inleveren van de bankafschriften heeft gevraagd. Daarom heeft het college appellante terecht verweten dat zij niet tijdig de gevraagde bankafschriften heeft overgelegd.


4.11.

Uit 4.9 en 4.10 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


Terugvordering over de periode van 14 mei 2009 tot en met 31 juli 2011


4.12.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.


4.13.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD