Centrale Raad van Beroep, 04-03-2015 / 14-4471 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:622

Inhoudsindicatie
Boete wegens schending van zijn inlichtingenverplichting. Punitieve sanctie als bedoeld in art. 6 EVRM. De bewijslast voor een gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting ligt bij het Uwv. Op grond van de nu beschikbare gegevens heeft het Uwv niet aangetoond dat appellant destijds tijdens de spreekuren zijn actieve verplichting tot het verstrekken van informatie heeft geschonden, laat staan dat is aangetoond dat appellant van de gestelde schending ook subjectief een verwijt valt te maken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-04
Publicatiedatum
2015-03-10
Zaaknummer
14-4471 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/4471 WAO

Datum uitspraak: 4 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

7 augustus 2014, 13/7363 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2015. Namens appellant is verschenen mr. Arabaci. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke. Het geding is gevoegd behandeld met het geding, geregistreerd onder nummer 13/6246 WAO, waarin heden afzonderlijk uitspraak is gedaan.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft zich op 8 januari 2001 wegens psychische klachten ziek gemeld voor zijn werkzaamheden als assemblagemedewerker in het kader van de Wet sociale werkvoorziening. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is appellant uitgenodigd voor het spreekuur van de verzekeringsarts op 26 oktober 2001. De verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek en dossierstudie geconcludeerd dat appellant geen benutbare mogelijkheden heeft vanwege een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Appellant is met ingang van 7 januari 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

In het kader van een herbeoordeling is appellant uitgenodigd voor het spreekuur van de verzekeringsarts op 3 februari 2005. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bekend is met een zeer ernstige endogene psychose, dat, zoals verwacht mag worden bij de gestelde diagnose, er ongewijzigd sprake is van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren en dat appellant tevens in hoge mate ADL-afhankelijk is als gevolg waarvan hij geen benutbare mogelijkheden heeft. Gelet op de resultaten van het onderzoek heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd voortgezet.


1.3.

Omdat uit justitiële gegevens was gebleken dat een behandelaar van appellant, psychiater S. Gülsaçan, mogelijk ondeugdelijke medische informatie heeft verstrekt over de medische toestand van Uwv-cliënten, heeft een nader onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering. In dat kader heeft een inspecteur van het Uwv op 8 april 2011 bij appellant een huisbezoek afgelegd en is appellant uitgenodigd voor het spreekuur van verzekeringsarts R.F.H. Borsboom op 26 april 2011. Blijkens zijn rapport van 26 april 2011 heeft deze verzekeringsarts appellant uitvoerig onderzocht en de casus besproken in een casuïstiekoverleg met zes collega verzekeringsartsen, een stafverzekeringsarts en een bij het project betrokken psychiater. Geen van de collega’s noch de psychiater heeft de klachten en bevindingen bij anamnese en psychisch onderzoek kunnen relateren aan een bekend psychiatrisch ziektebeeld. Een mogelijke discrepantie betrof eveneens dat bij jarenlang gebruik van Zyprexa, zoals door echtgenote van appellant geclaimd, fors overgewicht als bijwerking wordt verwacht, hetgeen bij appellant niet het geval was. In het casuïstiekoverleg is besloten tot een consult bij een psychiater met als vraagstelling of er sprake is van een psychiatrische aandoening en of aannemelijk is dat hier in het verleden sprake van is geweest en daarmee of er een indicatie is geweest voor het stellen van beperkingen ten aanzien van de belastbaarheid in arbeid.


1.4.

Op verzoek van het Uwv heeft psychiater A.J.W.M. Trompenaars op 17 mei 2011 verslag gedaan van een psychiatrisch consult van appellant op 6 mei 2011. Volgens deze psychiater kan op basis van alle beschikbare informatie worden geconcludeerd dat appellant een man is bij wie gesproken wordt over de diagnose paranoïde schizofrenie, maar bij wie het gedrag dat hij vertoont daarmee volstrekt niet in overeenstemming is en uiterst bizar aandoet. Gezien het feit dat er nog zeer veel diagnostische onduidelijkheid is, acht deze psychiater een grondig nader psychodiagnostisch onderzoek, inclusief een klinische observatie, ten zeerste aangewezen.


1.5.

Appellant is uitgenodigd voor een diagnostische opname in het St. Elisabeth ziekenhuis te Tilburg van 15 augustus 2011 tot en met 19 augustus 2011. Appellant heeft aan deze uitnodiging geen gehoor gegeven, omdat niet is ingegaan op het verzoek van zijn echtgenote om het onderzoek dichter bij huis te laten plaatsvinden.


1.6.

De verzekeringsarts Borsboom heeft vervolgens in zijn rapport van 31 augustus 2011 overwogen: ”Uit eigen onderzoek en bij psychiatrisch vervolgonderzoek kwamen geen aanwijzingen naar voren voor het bestaan van ziekte of gebrek, ondanks de claim van cliënt en zijn echtgenote. Vanwege het feit dat de observaties bij psychisch onderzoek en de beschreven klachten identiek zijn aan die bij eerdere beschreven verzekeringsgeneeskundige onderzoeken, evenals de claims door eerdere begeleiders, is het aannemelijk dat er ook in het verleden geen sprake is geweest van ziekte of gebrek.”


1.7.

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 oktober 2002 ingetrokken. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat de belastbaarheid van appellant opnieuw is beoordeeld en dat is vastgesteld dat deze destijds op verkeerde gronden is ingeschat. Volgens het Uwv is dit mede het gevolg van het door appellant onjuist dan wel onvolledig weergeven van zijn gezondheidstoestand. Bij besluit van 19 oktober 2011 heeft het Uwv over de periode van 7 oktober 2002 tot en met 31 augustus 2011 een bedrag van € 121.230,17 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 16 mei 2012 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 19 oktober 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank Gelderland heeft in haar uitspraak van 3 mei 2013 het beroep van appellant tegen het besluit van 16 mei 2012 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.


1.8.

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 2.269,- wegens schending van zijn inlichtingenverplichting. Appellant wordt verweten hij ten tijde van de verzekeringsgeneeskundige spreekuren op 26 oktober 2001 en 3 februari 2005 de verzekeringsarts door zijn handelen en presentatie verkeerd heeft geïnformeerd over zijn gezondheidstoestand en dit onjuiste beeld heeft laten voortduren. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 7 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de vraag die voorligt is of appellant zich tijdens het spreekuur bij de verzekeringsartsen in 2001 en 2005 anders heeft gepresenteerd dan zijn medische toestand op dat moment feitelijk was. Die vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord. Daartoe heeft zij vastgesteld dat appellant tijdens de spreekuren in 2001 en 2005 niet heeft gesproken en zich afwezig, apathisch, heeft gedragen, waarbij hij volledig werd geleid door anderen. Dit in tegenstelling tot zijn gedrag op het spreekuur bij verzekeringsarts Borsboom en bij het consult van psychiater Trompenaars, waar appellant wel praatte, zij het onsamenhangend, en oogcontact had. Bovendien heeft de echtgenote van appellant verklaard dat hij naast medicatie door middel van gesprekken werd behandeld door psychiater Gülsaçan, waar hij eveneens moet hebben gesproken. Dit maakt volgens de rechtbank reeds dat ernstig getwijfeld kan worden aan de authenticiteit van het optreden van appellant in 2001 en 2005. Dit wordt volgens de rechtbank versterkt door het feit dat namens appellant in 2001 en 2005 is benadrukt dat opname ophanden was, gelet op de ernst van de klachten, maar dat die vervolgens nimmer heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de rechtbank van belang geacht dat Trompenaars onbetwist heeft gesteld dat het door hem tijdens zijn consult waargenomen gedrag niet past bij enig bekend psychiatrisch ziektebeeld, dat appellant dit gedrag op weg naar het treinstation niet heeft voortgezet en dat de echtgenote niet heeft geantwoord op de vraag of hij dit gedrag ook heeft vertoond op de heenreis. Volgens de rechtbank maakt dit eveneens dat getwijfeld kan worden aan de authenticiteit van het optreden van appellant in 2011. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat appellant stelt jarenlang Zyprexa te hebben gebruikt, terwijl geen sprake is van gewichtstoename en onweersproken is gesteld dat dit medicijn dat veelal tot gevolg heeft. Ten slotte heeft de rechtbank laten meewegen het optreden van appellant bij zijn voordeur tijdens het huisbezoek op 11 april 2011 dat niet strookt met zijn presentatie in 2001 en 2005 dat hij zelfstandig tot niets komt en in alles begeleid wordt. Dit alles in onderlinge samenhang gezien heeft de rechtbank geleid tot het oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellant zich in 2001 en 2005 anders heeft voorgedaan dan zijn medische situatie daadwerkelijk was.


2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant hiermee zijn inlichtingenplicht geschonden en kan de afwijkende presentatie in 2001 en 2005 hem ook worden verweten. Het Uwv was daarom gehouden appellant een boete op te leggen. De rechtbank heeft de hoogte van de boete, gelet op de ernst van de gedraging, de omvang van het benadelingsbedrag en de persoonlijke omstandigheden van appellant evenredig geacht. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen dringende reden gezien die voor het Uwv aanleiding had moeten vormen om van de boete af te zien.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat bij het opleggen van een boete sprake is van een punitieve sanctie en een criminal charge, waarbij de schuld en/of opzet door het Uwv bewezen dient te worden. Volgens appellant heeft hij nimmer informatie achtergehouden over zijn medische situatie en is er wel degelijk sprake van een psychiatrisch ziektebeeld. Daarom heeft het Uwv hem ten onrechte een boete opgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 80, eerste lid, van de WAO, voor zover hier van belang, is bepaald dat degene die in het genot is van een WAO-uitkering verplicht is aan het Uwv, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. In artikel 29a van de WAO - zoals deze bepaling gold ten tijde hier in geding - is bepaald dat het Uwv een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste € 2.269,- ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 80 van de WAO.


4.2.

Met de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 mei 2013 zijn de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 7 januari 2002 en de terugvordering in rechte onaantastbaar geworden, maar niet de feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd. In het kader van de oplegging van de boete kunnen die feiten, de gestelde overtreding van de inlichtingenplicht en het door appellant gestelde ontbreken van verwijtbaarheid in volle omvang worden beoordeeld. Verwezen wordt naar de uitspraak van 16 oktober 2013,

ECLI:NL:CRVB: 2013:2085.


4.3.

Het gaat hier om een punitieve sanctie als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De bewijslast voor een gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting ligt bij het Uwv. Voorts is van essentiële betekenis dat de overtreder van het gestelde niet nakomen van de inlichtingenverplichting ook subjectief een verwijt te maken valt (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2009: BH7780).


4.4.

Appellant heeft tijdens de verzekeringsgeneeskundige spreekuren op 26 oktober 2001 en 3 oktober 2005 niet zelf gesproken met de verzekeringsgeneeskundige, alleen de hem begeleidende tolk heeft toen informatie verstrekt. Op grond van de nu beschikbare gegevens heeft het Uwv niet aangetoond dat appellant destijds tijdens die spreekuren zijn actieve verplichting tot het verstrekken van informatie heeft geschonden, laat staan dat is aangetoond dat appellant van de gestelde schending ook subjectief een verwijt valt te maken. Uit het rapport van verzekeringsarts Borsboom van 26 april 2011 en het daaropvolgende consult van psychiater Trompenaars van 17 mei 2011 blijkt immers dat er over appellant nog veel diagnostische onduidelijkheid bestond en dat daarom uitgebreid psychiatrisch onderzoek moest plaatsvinden door middel van een klinische observatie om vast te stellen of er bij appellant wel sprake is van een psychiatrische problematiek en, zo ja, waarvan er dan in psychiatrisch diagnostisch opzicht bij appellant sprake zou kunnen zijn. Nu dat diagnostische onderzoek niet heeft plaatsgevonden staat de verwijtbaarheid van de gestelde schending niet vast. Het standpunt van verzekeringsarts Borsboom dat het aannemelijk is dat er bij appellant in het verleden geen sprake is geweest van ziekte of gebrek biedt onvoldoende grond voor een ander oordeel. Het Uwv was dus niet bevoegd appellant een boete op te leggen.


4.5.

Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 20 juni 2013 herroepen.


5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant voor in bezwaar, beroep en hoger beroep verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op

€ 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, in totaal € 2.940,-.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 november 2013;
  • - herroept het besluit van 20 juni 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 november 2013;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van

€ 2.940,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.I. van der Kris en

W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) J.C. Hoogendoorn



IvR