Centrale Raad van Beroep, 03-03-2015 / 14-107 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:638

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvragen om bijstand. 1) Appellant had de onderneming nog op zijn naam staan, de ondernemersrekening was nog actief en appellant heeft ook op deze rekening financiële transacties verricht. Dat appellant geen boekhouding of administratie heeft bijgehouden, komt voor zijn risico. 2) Er lijkt sprake te zijn van een contante geldstroom buiten de bankrekening om, die appellanten niet inzichtelijk hebben gemaakt. 3) Appellanten hebben onvoldoende inzicht gegeven in hun financiële situatie, aangezien, gelet op de vele kasstortingen in die periode, sprake lijkt te zijn van een contante geldstroom naast de bankrekening van appellanten. Dit betekent dat in deze periode evenmin is vast te stellen of, en zo ja in welke mate, appellanten verkeerden in bijstandbehoevende omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-03
Publicatiedatum
2015-03-10
Zaaknummer
14-107 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/107 WWB, 14/108 WWB, 14/109 WWB

Datum uitspraak: 3 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 27 november 2013, 12/2896 (aangevallen uitspraak 1), 13/2718 (aangevallen uitspraak 2) en 13/3807 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2015. Namens appellanten is

mr. Hest verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C.N. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten hebben zich op 12 december 2011 gemeld bij het UWV werkbedrijf te Rotterdam om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Zij hebben vervolgens bijstand aangevraagd met ingang van 18 december 2011. Appellanten hebben daarbij opgegeven dat appellant staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). Uit het uittreksel van het handelsregister van de KvK blijkt dat appellant vanaf

10 mei 2010 ingeschreven staat met de eenmanszaak [onderneming](onderneming).


1.2.

In het kader van de aanvraag hebben appellanten meerdere gegevens overgelegd, waaronder afschriften van rekeningnummer [nummer 1] op naam van appellanten en een uitdraai van rekeningnummer [nummer 2], de bankrekening van de onderneming (ondernemersrekening). Op de ondernemersrekening zijn in de periode vanaf het eerste kwartaal van 2010 tot februari 2012 met enige regelmaat contante bedragen gestort tot een bedrag van in totaal ruim € 10.000,-. Het college heeft appellanten vervolgens bij brief van

3 februari 2012 verzocht om nader genoemde stukken over te leggen, waaronder bankafschriften van de ondernemersrekening, jaarstukken van de onderneming en deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken van de wijze waarop appellanten in hun levensonderhoud hebben voorzien vanaf december 2011. Bij brief van 8 februari 2012 heeft appellant onder meer verklaard dat de onderneming niet actief is en hij geen bankafschriften van de ondernemingsrekening heeft omdat hij gebruik maakt van internetbankieren.


1.3.

Bij besluit van 24 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 augustus 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, onder meer omdat appellanten geen jaarrekening of administratie van de onderneming hebben overgelegd. Ook ontbreken controleerbare belastingaangiften dan wel belastingaanslagen, terwijl wel duidelijk is dat de onderneming nog actief is.


1.4.

Op 13 maart 2013 hebben appellanten opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. In het kader van deze aanvraag hebben appellanten onder meer een bewijs van opheffing van de onderneming met ingang van 27 februari 2012 en een bewijs van opheffing van de ondernemingsrekening met ingang van 20 maart 2012 overgelegd.


1.5.

Bij brieven van 4 april 2012 en 23 april 2012 heeft het college appellanten verzocht nader genoemde gegevens te overleggen, waaronder bankafschriften van de ondernemersrekening, jaarstukken van de onderneming en deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken van de wijze waarop appellanten in hun levensonderhoud hebben voorzien vanaf december 2011. Bij brief van 25 april 2012 heeft appellant onder meer ten aanzien van de vraag over de wijze waarop appellanten in hun levensonderhoud hebben voorzien, het volgende verklaard: “ik [heb geleefd van de] spaarrekening van mijn twee kinderen, kinderbijslag, huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbudget en voedselbank Eindhoven”. In reactie op de brief van het college van 14 mei 2012, waarbij het verzoek om gegevens over te leggen is herhaald, heeft appellant bij brief van 21 mei 2012 onder andere afschriften van de ondernemingsrekening overgelegd en over zijn levensonderhoud onder meer verklaard dat de Soedanese maatschappij in Nederland en ook uit andere landen in verband met het overlijden van zijn vader op 11 mei 2012 geld voor hem hebben ingezameld.


1.6.

Nadat uit de door appellanten op 5 juni 2012 overgelegde bankafschriften van rekeningnummer [nummer 1] was gebleken dat op deze bankrekening diverse kasstortingen van bedragen variërend van € 10,- tot € 650,-, met in de periode van 2 maart 2012 tot en met 31 mei 2012 een totaal bedrag van € 2.665,- hebben plaatsgevonden, heeft het college appellanten bij brieven van 13 en 28 juni 2012 verzocht met deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken aan te geven wat de herkomst van deze stortingen is. Appellanten hebben vervolgens verklaringen van [naam 1] (H) en van[naam 2] (A) van 10 maart 2012, onderscheidenlijk 13 juli 2012 overgelegd. Daarin verklaart H dat zij een bedrag van € 2.200,- heeft geleend aan appellant en A dat hij een bedrag van € 500,- aan appellant heeft geleend. Verder hebben appellanten een door appellant opgesteld overzicht overgelegd met personen en bedragen tot een totaal bedrag van € 380,-, met de opmerking dat appellant de desbetreffende bedragen van die personen heeft ontvangen in verband met het overlijden van zijn vader.


1.7.

Bij besluit van 17 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag van appellanten van 13 maart 2012 afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, onder meer omdat appellanten de herkomst van de kasstortingen op hun bankrekening onvoldoende hebben aangetoond. Verder hebben appellanten ten aanzien van de onderneming nog steeds onvoldoende gegevens overgelegd, omdat geen boekhouding dan wel administratie is overgelegd.


1.8.

Op 30 juli 2012 hebben appellanten zich opnieuw gemeld voor het aanvragen van bijstand. Zij hebben de aanvraag om bijstand in augustus 2012 ingediend. Uit de in het kader van deze aanvraag door appellanten overgelegde afschriften van rekeningnummer [nummer 1], blijkt onder meer dat op 11 en 15 juni 2012 bedragen van respectievelijk € 350,- en € 120,-, op 12 juli 2012 een bedrag van € 50,- en op 6 augustus 2012 een bedrag van € 400,- op de rekening van appellanten is gestort. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college appellanten verzocht om nadere gegevens over onder meer de herkomst van de kasstortingen en op 14 september 2012, 5 oktober 2012 en 14 november 2012 appellant gehoord. Appellant heeft op 14 september 2012 over de kasstortingen in juni 2012 verklaard niet meer precies te weten waar deze gelden vandaan komen en over de gelden die hij heeft geleend van vrienden verklaard dat hij soms meer geld heeft geleend en slechts een deel heeft gestort. In het gesprek van 14 november 2012 heeft appellant onder meer verklaard dat de kasstortingen afkomstig zijn van gelden die hij van zijn creditcard heeft gehaald.


1.9.

Bij vonnis van 18 september 2012 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch appellant in staat van faillissement verklaard en een curator aangesteld.


1.10.

Bij besluit van 22 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2013 (bestreden besluit 3), heeft het college de aanvraag afgewezen voor zover het periode van 30 juli 2012 tot 18 september 2012 betreft en aan hen met ingang van laatstgenoemde datum bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat ook na de aanvraag van 30 juli 2012 is gebleken van kasstortingen, waarvoor appellanten verschillende verklaringen hebben gegeven. Het recht op bijstand kan tot 18 september 2012 niet worden vastgesteld omdat appellanten de herkomst van de kasstortingen niet met deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken hebben aangetoond. Nadat appellant op 18 september 2012 in staat van faillissement is verklaard, hebben er geen kasstortingen meer plaatsgevonden op de bankrekening van appellanten.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellanten hebben daartoe, samengevat, aangevoerd dat feitelijk geen bedrijfsactiviteiten zijn verricht voor de onderneming. Over de stortingen op de ondernemersrekening en de bankrekening van appellanten hebben appellanten voldoende duidelijkheid gegeven. Aan de verklaring van de curator in het faillissement, inhoudende dat appellanten vanaf januari 2012 geen inkomsten hebben gehad, heeft de rechtbank ten onrechte geen gewicht toegekend.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2846) rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.


4.2.

In het geval van appellanten houdt de in 4.1 genoemde bewijslast in dat zij aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk dienen te maken op welke wijze zij in de maanden voorafgaand aan de aanvragen en in de periode van de aanvragen tot de afwijzingsbesluiten in de noodzakelijke kosten van het bestaan hebben voorzien.


Aanvraag 18 december 2011


4.3.

De hier te beoordelen periode loopt van 18 december 2011 tot en met 24 februari 2012.


4.4.

Appellanten hebben erkend dat appellant in de hier te beoordelen periode de onderneming nog op zijn naam had staan, dat de ondernemersrekening nog actief was en dat appellant ook in de hier te beoordelen periode op deze rekening financiële transacties heeft verricht.


4.5.

De grond dat appellant geen bedrijfsactiviteiten heeft verricht en geen inkomsten heeft genoten uit de onderneming, hebben appellanten niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Vaststaat dat appellanten geen boekhouding of administratie van de onderneming hebben overgelegd. Uit de wel overgelegde bankafschriften en de uitdraai van de ondernemersrekening volgt dat vanaf de oprichting van de onderneming in mei 2010 op de ondernemersrekening veelvuldig kasstortingen zijn gedaan. Ook in de hier te beoordelen periode zijn nog kasstortingen gedaan. Met de enkele stelling dat geen sprake is geweest van bedrijfsactiviteiten hebben appellanten geen inzicht gegeven in de financiële transacties op de ondernemersrekening. Dat appellant geen boekhouding of administratie heeft bijgehouden, komt voor zijn risico.


4.6.

Het betoog van appellanten dat uit de verklaring van de curator kan worden afgeleid dat appellanten vanaf januari 2012 geen inkomsten meer hebben gehad, slaagt niet. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat niet duidelijk is op welke gegevens de curator deze conclusie heeft gebaseerd. De curator heeft bijvoorbeeld in haar verklaring noch in het faillissementsverslag inzicht gegeven over de herkomst van de kasstortingen op de ondernemersrekening en op de bankrekening van appellanten. Anders dan appellanten betogen, geeft de verklaring van de curator dan ook evenmin voldoende inzicht in hun financiële situatie in de hier te beoordelen periode.


Aanvraag 13 maart 2012


4.7.

De hier te beoordelen periode loopt van 13 maart 2012 tot en met 17 juli 2012.


4.8.

Vaststaat dat op rekening [nummer 1] van appellanten in de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 mei 2012 de in 1.6 genoemde kasstortingen en in de hier eveneens te beoordelen maanden juni en juli 2012 de in 1.8 genoemde kasstortingen tot een totaal bedrag van

€ 3.185,- hebben plaatsgevonden. Daarnaast blijkt uit de afschriften van de ondernemersrekening dat in de maand maart 2012 nog twee kasstortingen tot een totaal bedrag van € 115,- hebben plaatsgevonden.


4.9.

Namens appellanten heeft hun advocaat ter zitting erkend dat appellanten de herkomst van de kasstortingen niet met voldoende objectieve en verifieerbare gegevens kunnen aantonen omdat de perioden en bedragen van de in 1.6 genoemde leningen en de stortingen niet overeenkomen. De van de spaarrekeningen van de kinderen en van de creditcard-rekening opgenomen bedragen komen evenmin overeen met de perioden en bedragen van de stortingen.


4.10.

Appellanten hebben betoogd dat het feit dat appellant de geleende bedragen in gedeelten en op verschillende data op zijn bankrekening heeft gestort mogelijk ongelukkig is, maar dat dit zijn stelling dat de kasstortingen kunnen worden verklaard door de leningen niet ongeloofwaardig of onaannemelijk maakt. Dit betoog kan niet worden gevolgd. Daarbij is van belang dat appellant tijdens het gesprek op 14 september 2012 heeft verklaard dat hij slechts een gedeelte van de geleende geldbedragen op zijn bankrekening stortte. Hij heeft verder desgevraagd geen verklaring kunnen geven over de herkomst van de stortingen in de maand juni 2012. Daarbij blijkt uit het door appellant op 14 november 2012 opgemaakte overzicht dat hij in de hier te beoordelen periode meerdere uitgaven, onder andere in verband met een fiets een bedrag van € 230,- en in verband met autobanden € 120,-, contant heeft betaald. Gelet hierop lijkt sprake te zijn van een contante geldstroom buiten de bankrekening om, die appellanten niet inzichtelijk hebben gemaakt.


4.11.

Uit 4.10 volgt dat de informatie die appellanten hebben verstrekt over de kasstortingen ontoereikend is om volledig inzicht te krijgen in hun financiële situatie. Zoals in 4.6 reeds is overwogen, geeft de verklaring van de curator evenmin voldoende inzicht in de financiële situatie van appellanten. Dit betekent dat niet is vast te stellen of, en zo ja in welke mate, appellanten verkeerden in bijstandbehoevende omstandigheden.


Aanvraag 30 juli 2012


4.11.

De hier te beoordelen periode loopt van 30 juli 2012 tot en met 17 september 2012.


4.12.

Niet in geschil is dat in de hier te beoordelen periode wederom sprake is van een kasstorting op de bankrekening van appellanten. Appellanten hebben betoogd dat slechts sprake is van één kasstorting zodat het recht op bijstand over deze periode wel is vast te stellen.


4.13.

Hoewel op de bankrekening van appellanten in de hier te beoordelen periode inderdaad alleen op 6 augustus 2012 een bedrag van € 400,- is gestort, kunnen appellanten niet worden gevolgd in hun betoog dat de bijstandbehoevendheid nu wel is vast te stellen. Voor het vaststellen van het recht op bijstand is immers, zoals in 4.2 is overwogen, eveneens van belang dat voldoende inzicht in de financiële situatie van appellanten in de maanden voorafgaand aan de aanvraag bestaat. Zoals uit 4.9 volgt, hebben appellanten onvoldoende inzicht gegeven in hun financiële situatie in de periode voorafgaand aan de aanvraag van 30 juli 2012, aangezien, gelet op de vele kasstortingen in die periode, sprake lijkt te zijn van een contante geldstroom naast de bankrekening van appellanten. In het in 4.9 genoemde door appellant opgestelde overzicht blijkt bovendien dat hij op 16 augustus 2012 een contante betaling van € 456,36 heeft verricht. Dit betekent dat in de hier te beoordelen periode evenmin is vast te stellen of, en zo ja in welke mate, appellanten verkeerden in bijstandbehoevende omstandigheden.


4.14.

De hoger beroepen slagen niet, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd. Het verzoek van appellanten om veroordeling tot vergoeding van schade wordt daarom afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek van appellanten om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en M.I. ‘t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C.M.A.V. van Kleef





HD