Centrale Raad van Beroep, 03-03-2015 / 13-6015 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:640

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand 1) voor de kosten van een bril, de kosten van tandheelkundige hulp en 2) voor de kosten van een fiets, vloerbedekking en gordijnen omdat deze kosten onder de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan vallen. 1) Voorliggende voorziening. Geen zeer dringende redenen. 2) Deze kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Geen bijzondere omstandigheden. De vraag of bijstand in de vorm van een lening kan worden toekend, komt eerst aan de orde nadat is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-03
Publicatiedatum
2015-03-10
Zaaknummer
13-6015 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/117
Uitspraak

13/6015 WWB

Datum uitspraak: 3 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

21 oktober 2013, 13/1732 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 januari 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 28 december 2012 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een bril, de kosten van tandheelkundige hulp en de kosten van een fiets, vloerbedekking en gordijnen, eventueel te vervangen door een renteloze lening ter hoogte van € 2.000,-.


1.2.

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat deze kosten onder de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan vallen.


1.3.

Bij besluit van 23 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn aanvraag niet met specificaties of offertes heeft onderbouwd. Ten aanzien van de kosten van een bril en de kosten van tandheelkundige hulp heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voor deze kosten geen recht bestaat op bijzondere bijstand omdat sprake is van een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, geacht wordt voor appellant toereikend en passend te zijn. Ten aanzien van de gevraagde bijzondere bijstand voor het aanschaffen van een fiets, vloerbedekking en gordijnen heeft het college overwogen dat deze kosten tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend. Deze kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat in dit geval sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die voor bijstandsverlening in aanmerking komen. Nu geen recht bestaat op bijzondere bijstand, bestaat ook geen recht op een geldbedrag in de vorm van een lening.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Met betrekking tot de kosten van een bril en de tandartskosten betwist appellant dat in dit specifieke geval sprake is van een voorliggende voorziening. Appellant heeft als gevolg van de problematische financiële situatie waarin hij zich thans bevindt, uitsluitend een basisverzekering welke de kosten van de aanschaf van een bril en de noodzakelijke incidentele tandartskosten niet vergoedt. De medische zorg is voor hem slechts toegankelijk als de verschuldigde kosten direct door hem worden voldaan. Gelet op zijn financiële situatie is reservering of gespreide betaling achteraf niet mogelijk. Appellant beroept zich op de dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Ook met betrekking tot de kosten voor een fiets, vloerbedekking en gordijnen heeft appellant betoogd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die in zijn geval bijstandsverlening rechtvaardigen. Dat appellant, naast zijn bijstandsbehoeftige omstandigheden, schulden heeft, doet hieraan niet af. Appellant is geheel onverwacht geconfronteerd met noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor hij redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren en hij betwist dat het ontbreken van voldoende reserveringsruimte het gevolg is van zijn schulden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


De kosten van een bril en de kosten van tandheelkundige hulp


4.1.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.


4.2.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2509) is de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering voor de kosten van brillenglazen en contactlenzen in beginsel aan te merken als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening. In deze regelgeving is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van brillenglazen en contactlenzen, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is.


4.3.

Naar eveneens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9166) dient voor de kosten van een tandheelkundige behandeling sinds 1 januari 2006 de Zvw, mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd.


4.4.

Het bovenstaande brengt met zich dat zowel voor de kosten van een bril als voor de kosten van tandheelkundige hulp artikel 15, eerste lid, van de WWB aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg staat. Het enkele feit dat appellant niet aanvullend verzekerd is en om die reden de kosten niet vergoed krijgt, maakt niet dat geen sprake is van een voorliggende voorziening.


4.5.

Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, de gevraagde bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting op deze bepaling dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. In hetgeen door appellant is aangevoerd, zijn geen zeer dringende redenen als hier bedoeld gelegen, zodat het college niet de bevoegdheid toekwam om appellant bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Daarbij komt nog dat appellant de kosten op geen enkele wijze met stukken heeft onderbouwd.


De kosten van een fiets, gordijnen en vloerbedekking


4.6.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van die wet niet van toepassing zijn.


4.7.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid.


4.8.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de kosten voor een fiets, vloerbedekking en gordijnen gerekend dienen te worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.


4.9.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die tot verlening van bijzondere bijstand voor de onderhavige kosten dienen te leiden. In het bijzonder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij voor de kosten waarvoor hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd, niet heeft kunnen reserveren. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BV2318) is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de WWB. De enkele stelling van appellant dat het ontbreken van voldoende reserveringsruimte niet het gevolg is van zijn schulden treft geen doel, omdat appellant deze stelling niet nader heeft onderbouwd.


4.10.

Uit wat hiervoor onder 4.4 en 4.5 en onder 4.8 en 4.9 is overwogen volgt dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand op goede gronden heeft afgewezen. De vraag of bijstand in de vorm van een lening kan worden toekend, komt eerst aan de orde nadat is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat. Hieraan wordt in dit geschil dus niet toegekomen.


4.11.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) C. Moustaine




HD