Centrale Raad van Beroep, 03-03-2015 / 13-5513 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:643

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijstand. Het college heeft appellant terecht tegengeworpen dat hij niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn woonsituatie met als gevolg dat het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-03
Publicatiedatum
2015-03-10
Zaaknummer
13-5513 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5513 WWB

Datum uitspraak: 3 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 19 september 2013, 13/5303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C. van Paridon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. el Fizazi.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving vanaf 15 juli 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Het college heeft bij besluit van 21 januari 2013 de bijstand met ingang van 14 december 2012 ingetrokken. Op 14 februari 2013 heeft appellant zich opnieuw gemeld voor het aanvragen van bijstand, thans naar de norm voor een alleenstaande. Op het aanvraagformulier heeft hij vermeld dat hij woonachtig is op het adres [adres] te [woonplaats] (opgegeven adres).


1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Op 23 mei 2013, 28 mei 2013, 30 mei 2013 en 6 juni 2013 is tevergeefs geprobeerd een huisbezoek af te leggen aan de woning op het opgegeven adres. Bij de laatste poging op 6 juni 2013 hebben twee medewerkers van de gemeente Rotterdam, S.A. Kanhai (Kanhai) en S. Khandai, omstreeks 11.20 uur een brief in de brievenbus van appellant gedeponeerd. In deze brief heeft de klantmanager appellant verzocht om binnen twee werkdagen, uiterlijk op 10 juni 2013, contact op te nemen om een afspraak te maken voor het afleggen van een huisbezoek. Appellant heeft niet op deze brief gereageerd.


1.3.

Bij besluit van 10 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn woonsituatie, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 6 juni 2013 op diezelfde dag in de brievenbus van appellant is gedeponeerd. Omdat appellant niet binnen de in die brief genoemde termijn contact heeft opgenomen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar zijn woonsituatie en om die reden de aanvraag terecht heeft afgewezen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft ten aanzien van het onaangekondigde huisbezoek op 6 juni 2013 aangevoerd dat hij die dag tot 16.30 uur thuis was en dat hij geen brief heeft aangetroffen. In de kopie van de brief, die appellant pas achteraf heeft gekregen, staan meerdere fouten. De datum waarop het huisbezoek is afgelegd, is niet juist weergegeven. Verder staat in de brief vermeld dat hij uiterlijk op 24 mei 2013 tussen 9.00 uur en 11.00 uur contact diende op te nemen en niet, zoals in het bestreden besluit staat vermeld, uiterlijk op 10 juni 2013. Uit het bestreden besluit blijkt evenmin op welke datum de brief is afgegeven, er staat slechts een tijdstip vermeld. Gelet op de vele fouten en onduidelijkheden in de brief is het volgens appellant niet ondenkbaar dat hij de brief nooit heeft ontvangen. Voorts heeft appellant betoogd dat de rechtbank heeft erkend dat het college fouten heeft gemaakt. Hieraan zijn echter ten onrechte geen conclusies verbonden. De rechtbank heeft uitsluitend geconcludeerd dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Gelet op het bovenstaande kan appellant niet worden verweten dat hij niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn woonsituatie. Daarbij acht appellant nog van belang dat hij niet op de hoogte was van de huisbezoeken, omdat deze onaangekondigd zijn afgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.2.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant de op hem op grond van artikel 17, tweede lid, van de WWB rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden door geen gehoor te geven aan het in de brief van 6 juni 2013 neergelegde verzoek om binnen twee dagen, uiterlijk op 10 juni 2013, contact op te nemen om een afspraak te maken voor het afleggen van een huisbezoek.


4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de door appellant overgelegde brief van 23 mei 2013, waarbij appellant wordt verzocht om uiterlijk op 24 mei 2013 contact op te nemen met de klantmanager, en waarin volgens appellant een aantal fouten staat, een andere brief is dan de brief die voor het onderhavige geschil van belang is, te weten de brief van 6 juni 2013. De (inhoud van de) brief van 23 mei 2013 is voor de vraag of appellant de medewerkingsverplichting heeft geschonden dan ook niet relevant.


4.4.

Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij de brief van 6 juni 2013 niet heeft ontvangen en dat hem om die reden niet verweten kan worden dat hij niet binnen de gestelde termijn op deze brief heeft gereageerd. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de brief van 6 juni 2013 diezelfde dag in de brievenbus van appellant is gedeponeerd. Uit de door klantmanager Kanhai opgestelde rapportage van 10 juni 2013 blijkt dat op 6 juni 2013 omstreeks 11.20 uur op het opgegeven adres is aangebeld, dat op het aanbellen niet is gereageerd en dat omstreeks 10.20 uur op het opgegeven adres een brief is achtergelaten, waarin appellant is verzocht binnen twee werkdagen contact op te nemen voor het maken van een afspraak. De enkele stelling van appellant dat hij de brief niet heeft ontvangen, vormt onvoldoende aanleiding om hetgeen in de rapportage hierover is vermeld voor onjuist te houden.


4.5.

Gelet op wat in de rapportage over het bezoek op 6 juni 2013 aan het opgegeven adres is vermeld, met name over het tijdstip van dat bezoek, is het aannemelijk te achten dat de vermelding in de rapportage dat de brief omstreeks 10.20 uur is achtergelaten, berust op een kennelijke verschrijving en dat hiermee omstreeks 11.20 uur is bedoeld. Dat de rechtbank heeft erkend dat het college (nog andere) fouten heeft gemaakt, zoals appellant heeft betoogd, kan niet worden afgeleid uit de aangevallen uitspraak en heeft appellant ook verder niet onderbouwd.


4.6.

Omdat appellant heeft nagelaten binnen de in de brief van 6 juni 2013 genoemde termijn contact op te nemen met het college, heeft het college appellant terecht tegengeworpen dat hij niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn woonsituatie met als gevolg dat het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen. Het college heeft de aanvraag van appellant dan ook op goede gronden afgewezen.


4.7.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) C. Moustaine




HD