Centrale Raad van Beroep, 06-03-2015 / 11-7176 WAO-S


ECLI:NL:CRVB:2015:668

Inhoudsindicatie
De redelijke termijn is in de rechterlijke fase met twee jaar en elf maanden overschreden. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 3.000,-.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-06
Publicatiedatum
2015-03-13
Zaaknummer
11-7176 WAO-S
Procedure
Schadevergoedingsuitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/7176 WAO-S

Datum uitspraak: 6 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Staat der Nederlanden, de minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank

’s-Hertogenbosch van 31 oktober 2011, 08/676, in het geding tussen verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Bij uitspraak van 4 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2285) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij is het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoekster om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en is de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) aangemerkt als partij in die procedure.

De Staat heeft afgezien van het geven van een schriftelijke uiteenzetting en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

Het geding is behandeld ter zitting op 23 januari 2015. Namens verzoekster is verschenen

mr. drs. J.G.C. van Schaik, juridisch adviseur. De Staat is, zoals tevoren schriftelijk is bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De uitspraak van de Raad van 4 juli 2014 betrof een procedure tussen verzoekster en het Uwv, die betrekking had op verzoeksters aanspraken op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De procedure had ten tijde van de uitspraak van de Raad zes jaar en ruim tien maanden geduurd. In genoemde uitspraak is overwogen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn is geschonden door de Staat. Het onderzoek is vervolgens heropend.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de hele procesgang en de aard van het bestreden besluit en het daardoor getroffen belang van verzoekster.


2.2.

De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling in hoger beroep ten hoogste twee jaren mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 2.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.


2.3.

De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoekster aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.


2.4.

Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met twee jaar en elf maanden is overschreden. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Hieruit volgt dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 3.000,-.


3. Er wordt aanleiding gezien om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in deze schadeprocedure. Deze kosten worden ingevolge het Besluit proceskosten begroot op € 490,- voor verleende rechtsbijstand in verband met vertegenwoordiging van verzoekster ter zitting.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan

verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.000,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de

proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 490,-.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) I. Mehagnoul




HD