Centrale Raad van Beroep, 06-03-2015 / 13-6600 TW


ECLI:NL:CRVB:2015:677

Inhoudsindicatie
Toeslag gemaximeerd. Geen recht op een toeslag tot het minimumloon, omdat de toeslag niet hoger kan zijn dan het verschil tussen dagloon en WAO-uitkering. Met overneming van de overwegingen in de aangevallen uitspraak is ook de Raad van oordeel dat het Uwv appellant terecht geen hogere toeslag op grond van de TW heeft toegekend dan € 5,11 bruto per dag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-06
Publicatiedatum
2015-03-13
Zaaknummer
13-6600 TW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6600 TW

Datum uitspraak: 6 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam

van 19 november 2013, 13/457 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Turkije (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Appellant is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1. Op 3 juli 2012 heeft appellant een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd. Bij besluit van 16 augustus 2012, gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij met ingang van 3 juli 2011 recht heeft op een toeslag in het kader van de TW. De hoogte van de toeslag is daarbij bepaald op € 5,11 bruto per dag. Daarbij is overwogen dat appellant geen recht heeft op een toeslag tot het minimumloon, omdat de toeslag niet hoger kan zijn dan het verschil tussen zijn dagloon en zijn WAO-uitkering.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden appellants toeslag heeft vastgesteld op € 5,11 bruto per dag. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, anders dan appellant heeft gesteld, er geen jurisprudentie bekend is op basis waarvan appellants toeslag verhoogd dient te worden naar het minimumloon, dan wel verhoogd dient te worden naar € 1.200,- of € 1.400,-. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij met het Uwv van oordeel is dat, nu het verschil tussen het voor appellant geldende sociaal minimum van € 35,03 bruto per dag en appellants uitkering van € 15,33 bruto per dag € 19,70 is, appellants toeslag in beginsel € 19,70 bruto per dag bedraagt. Nu echter het dagloon van appellant € 20,44 bruto per dag bedraagt en de uitkering € 15,33 bruto per dag, heeft het Uwv terecht onder verwijzing naar artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder c, van de TW appellants toeslag vastgesteld op € 5,11 bruto per dag, omdat in dat artikellid is bepaald dat de toeslag niet hoger mag zijn dan het verschil tussen het dagloon en de WAO-uitkering.


3. Appellant heeft de juistheid van deze uitspraak bestreden en, evenals in beroep, aangevoerd dat zijn inkomen op 3 juli 2011 onder het sociaal minimum lag, zodat hij recht heeft op een toeslag welke een aanvulling geeft tot 100% van het wettelijk minimumloon.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Met overneming van de overwegingen in de aangevallen uitspraak is ook de Raad van oordeel dat het Uwv appellant terecht geen hogere toeslag op grond van de TW heeft toegekend dan € 5,11 bruto per dag. Voor zover appellant meent dat hij recht had op een zodanige toeslag dat zijn inkomen werd aangevuld tot 100% van het wettelijk minimumloon is die opvatting onjuist, nu deze geen steun vindt in de wet, noch in de jurisprudentie van de Raad.

4.2.

Appellant was op 3 juli 2011 een ongehuwde zonder tot zijn huishouden behorende kinderen jonger dan 18 jaar. Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de TW heeft hij - als ongehuwde van 23 jaar of ouder - als zodanig recht op een toeslag wanneer hij per dag een inkomen heeft dat lager is dan € 46,12. Dit was hier het geval zodat voor hem recht op toeslag is ontstaan. Artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder c, van de TW, bepaalt echter dat de toeslag voor de persoon bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de TW niet meer bedraagt dan het verschil tussen het (vervolg)dagloon of de grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is berekend en de loondervingsuitkering. Nu vaststaat dat het bruto dagloon van appellant € 20,44 bedroeg en zijn bruto loondervinguitkering € 15,33 per dag, kan zijn toeslag niet meer bedragen dan € 5,11 per dag. Het Uwv heeft de toeslag van appellant derhalve terecht en op goede gronden gemaximeerd.


4.3.

Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) I. Mehagnoul




MK