Centrale Raad van Beroep, 27-02-2015 / 12-4548 WWAJ-T


ECLI:NL:CRVB:2015:680

Inhoudsindicatie
De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 20 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1816 waaruit volgt dat ook in het geval van een laattijdige aanvraag in het kader van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong waarbij sprake is van een arbeidsverleden, een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats dient te vinden. Hierbij moeten worden betrokken de diverse ingediende medische rapporten. Het Uwv had tevens moeten beoordelen of appellant alsnog jonggehandicapte is geworden omdat hij binnen vijf jaar alsnog aan de voorwaarden uit het eerste lid is gaan voldoen. Verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3041. Bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. Het Uwv moet de gebreken in de motivering van dat besluit herstellen en daarbij uitgaan van de inmiddels verstreken termijn van vijf jaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-27
Publicatiedatum
2015-03-11
Zaaknummer
12-4548 WWAJ-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/111 met annotatie van M. Koolhoven
Uitspraak

12/4548 WWAJ-T

Datum uitspraak: 27 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

17 juli 2012, 12/726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Hofstra, advocaat, hoger beroep ingesteld onder bijvoeging van een psychologisch rapport.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv een nadere reactie aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren op [datum] 1991, heeft op 7 november 2011, door het Uwv ontvangen op 10 november 2011, een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend vanwege psychische problematiek.


1.2.

Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 november 2011 appellant een Wajong-uitkering geweigerd omdat hij na zijn 18e verjaardag meer dan een half jaar heeft gewerkt.


1.3.

Bij besluit van 13 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 november 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe vastgesteld dat appellant een arbeidsverleden heeft, in die zin dat hij ruim anderhalf jaar heeft gewerkt voor een tweetal werkgevers en dat hij daarmee 75% van het wettelijk minimumloon heeft verdiend. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank appellant niet worden aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van de Wet Wajong. De stelling van appellant dat hij bij zijn werkgevers niet naar behoren heeft gefunctioneerd en dat sprake was van extra ondersteuning en begeleiding acht de rechtbank niet, althans onvoldoende, onderbouwd.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Appellant heeft gesteld dat hij, anders dan het Uwv veronderstelt, tijdens zijn beide dienstverbanden niet goed heeft gefunctioneerd. Volgens appellant blijkt uit de psychologische rapporten van zowel 2007 als 2012 dat hij door zijn problematiek in het dagelijks leven wordt gehinderd en dit was ook het geval ten tijde van de aanvraag. Hij functioneert verstandelijk gezien op zwakbegaafd niveau ten aanzien van de perceptuele organisatie en het werkgeheugen en loopt het risico dat hij overvraagd wordt. Voorts heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken niet in meer in staat was om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar zal herstellen. De rechtbank heeft deze stelling ongemotiveerd buiten beschouwing gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 20 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1816, dient ook in het geval van een laattijdige aanvraag in het kader van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong waarbij sprake is van een arbeidsverleden, een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats te vinden. Uit het samenstel van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong, artikel 2:5, eerste lid en artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, vloeit immers voort dat de beoordeling van de vraag of een jonggehandicapte in staat is gebleven 75% van het maatmaninkomen te verdienen, dient te zijn gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Het is dan vervolgens aan de arbeidsdeskundige om te beoordelen of de door belanghebbende feitelijk verrichte arbeid voldoet aan de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid.


4.2.

Gelet op de onder 4.1 genoemde uitspraak heeft het Uwv ten onrechte, onder toepassing van het zogenoemde stappenplan en gelet op het bepaalde in artikel 2:15, eerste lid, van de Wet Wajong, afgezien van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 2:5 van de Wet Wajong. Het stappenplan bepaalt dat de soort baan en de wijze van functioneren bij de arbeidskundige beoordeling wordt betrokken, maar dit laat onverlet dat het niet aan de arbeidsdeskundige is om te beoordelen of een belanghebbende gelet op de medische beperkingen, in staat was dit werk te doen. Zo dient ook de stelling van appellant dat hij in feite nooit goed heeft kunnen functioneren als gevolg van zijn handicap en hij in feite overvraagd werd, door een verzekeringsgeneeskundige te worden beoordeeld. Hierbij dient deze mede te betrekken de diverse medische rapporten van Accàre, Forensische Jeugd en ortho Psychiatrie, die betrekking hebben op het ontstaan en de loop van de medische problematiek van appellant over de jaren 2007 tot en met 2012. Uit die rapporten blijkt onder meer dat appellant op zwakbegaafd niveau functioneert en er sprake is van een klinische stoornis, te weten een gedragsstoornis niet anders omschreven. Uit de in beroep ingebrachte verklaring van psychiater H. bij de Weg wordt naast de beneden gemiddelde intelligentie gesteld dat sprake is van (lichte) ADHD problematiek van het overwegend oplettende type. Uit de in hoger beroep overgelegde verklaring van GZ-psycholoog A.N. Hoogland van

2 juli 2012 blijkt dat zijn bevindingen in grote lijnen overeenstemmen met de rapporten van Accàre.


4.3.

Voorts overweegt de Raad dat ook indien uit de beoordeling, als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, artikel 2:5, eerste lid, en artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong, zou voortvloeien dat appellant niet kan worden aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3, eerste lid van de Wet Wajong, dit niet zonder meer betekent dat hij niet alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van

5 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3041.


4.4.

Uit de tekst van deze bepaling en de toelichting daarop (Kamerstukken II 2008/09, 32 780, nr. 3, p. 40 en 41) volgt dat de ingezetene die geen jonggehandicapte in de zin van het eerste lid is, alsnog jonggehandicapte wordt indien hij binnen vijf jaar alsnog aan de voorwaarden uit het eerste lid gaat voldoen. Deze termijn van vijf jaar gaat lopen op het moment waarop de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, is geëindigd, derhalve op de dag waarop de ingezetene jonggehandicapte zou zijn geworden wanneer hij aan de voorwaarden zou hebben voldaan. Daarbij geldt wel als eis dat het verlies aan arbeidscapaciteit een gevolg is van dezelfde ziekte die al aanwezig was na afloop van de 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b.


4.5.

Dat betekent in dit geval, waarin sprake was van een laattijdige aanvraag, dat het Uwv tevens had moeten beoordelen of appellant op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong alsnog kan worden aangemerkt als jonggehandicapte en of appellant in aanmerking komt voor arbeidsondersteuning omdat hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmanloon te verdienen, als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong. Het Uwv heeft dit ten onrechte nagelaten.


5. Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De Raad ziet aanleiding het Uwv op te dragen de gebreken in de motivering van dat besluit te herstellen. Bij het herstellen van het in 4.5 geconstateerde gebrek dient het Uwv uit te gaan van de inmiddels verstreken termijn van vijf jaar.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 13 februari 2012 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en R.E. Bakker en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2015.




(getekend) C.C.W. Lange




(getekend) I. Mehagnoul




NK