Centrale Raad van Beroep, 10-03-2015 / 13-4765 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:694

Inhoudsindicatie
Beëindiging en terugvordering AIO-aanvulling. Appellante beschikte over een vermogen dat uitging boven de grens van het vrij te laten vermogen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
13-4765 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4765 WWB

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 augustus 2012, 13/1517 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [Appellante] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door I.H. Dubois. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft de Svb aan appellante vanaf 15 april 2010 - in aanvulling op een (onvolledig) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet - met toepassing van artikel 47a van de Wet werk en bijstand een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) toegekend. Bij dit besluit is het vermogen van appellante vastgesteld op € 5.275,53.


1.2.

Bij besluit van 21 december 2012 heeft de Svb appellante meegedeeld dat zij ten onrechte AIO-aanvulling heeft ontvangen. Bij besluit van gelijke datum heeft de Svb appellante mededelingen gedaan over het bedrag aan AIO-aanvulling dat zij ten onrechte heeft ontvangen en over de terugbetaling van dat bedrag. De Raad leest deze besluiten samengenomen aldus: de AIO-aanvulling wordt beëindigd met ingang van januari 2013, de AIO-aanvulling wordt ingetrokken over de periode van 15 april 2010 tot en met 31 december 2012 en het nettobedrag van € 1.419,68 aan AIO-aanvulling over die periode wordt van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 8 maart 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de besluiten van 21 december 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 15 april 2010 beschikte over een vermogen dat uitging boven de grens van het vrij te laten vermogen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft niet bestreden dat de saldi van de op haar naam staande rekeningen het voor haar toepasselijke vrij te laten vermogen overstijgen. Zij heeft aangevoerd dat het saldo op de Toprekening toebehoort aan haar zoon en dat zij om die reden niet heeft kunnen beschikken over het tegoed op die rekening. Voorts heeft zij gesteld dat het saldo op de Toprekening voor een deel is opgebouwd uit door haarzelf en haar zoon ontvangen schadevergoedingen als gevolg van de Bijlmerramp en dat deze gelden zijn bestemd voor begrafeniskosten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vast staat dat appellante ten tijde in geding een betaalrekening bij de Postbank ([nummer]) op naam had staan met daaraan gekoppeld een Bonusrenterekening en een Toprekening. Niet in geschil is dat appellante bij het college geen melding heeft gemaakt van de betreffende Toprekening.


4.2.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.


4.3.

Appellante is hier niet in geslaagd. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante op

3 oktober 2012 en 30 oktober 2012 bedragen van de Toprekening heeft overgeboekt naar haar betaalrekening. Ter zitting heeft appellante bovendien verklaard dat zij in geval van onvoorziene omstandigheden gebruik maakt van de gelden op de Toprekening. Reeds hieruit volgt dat appellante ten tijde in geding feitelijk gebruik heeft gemaakt van de Toprekening en dus feitelijk heeft kunnen beschikken over het op die rekening staande tegoed. Dat appellante, naar zij stelt, de gelden op de Toprekening - die bedoeld zijn om onder meer begrafeniskosten uit te voldoen - voor haar chronisch zieke zoon beheert, doet hieraan niet af.


4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) P.C. de Wit




HD