Centrale Raad van Beroep, 10-03-2015 / 14-1169 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:700

Inhoudsindicatie
Weigering ontheffing re-integratieverplichtingen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college zich bij zijn besluitvorming heeft mogen baseren op de conclusies van de verzekeringsarts en van de arbeidsdeskundige. Hierbij is van belang dat in de medische rapporten, anders dan appellanten stellen, genoegzaam aandacht is geschonken aan de door hen gestelde klachten en de door hen gebruikte medicijnen, waaronder de door appellant genoemde pijnstiller.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
14-1169 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1169 WWB

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2014, 13/5683 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.A.H. Matthijssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere medische stukken ingezonden.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 januari 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvangen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 22 februari 2012 heeft het college aan appellanten een ontheffing verleend van de voor hen geldende arbeidsverplichtingen voor de periode van

22 februari 2012 tot en met 21 februari 2013. Het college heeft hen geen ontheffing verleend van de verplichtingen mee te werken aan re-integratie.


1.2.

Op 26 maart 2013 heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden naar de belastbaarheid van appellanten. Vervolgens heeft een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden naar hun arbeidsmogelijkheden. Op basis van de resultaten van deze onderzoeken heeft het college bij besluit van 16 april 2013 aan appellante ontheffing verleend van de voor haar geldende arbeidsverplichtingen en deze ontheffing aan appellant geweigerd. Het college heeft zowel aan appellante als aan appellant ontheffing geweigerd van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB genoemde, zogeheten re-integratieverplichtingen.


1.3.

Bij besluit van 22 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de tegen de weigering van de ontheffingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad overweegt het navolgende.


4.1.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB is de bijstandsgerechtigde van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden (...);

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Artikel 9, tweede lid, van de WWB bepaalt dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.


4.2.

Anders dan appellanten is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het college zich bij zijn besluitvorming heeft mogen baseren op de conclusies van de verzekeringsarts en van de arbeidsdeskundige. Niet is gebleken dat de rapporten die tot deze conclusies hebben geleid, wat de wijze van totstandkoming of wat de inhoud ervan betreft, niet deugdelijk zijn. Hierbij is van belang dat in de medische rapporten, anders dan appellanten stellen, genoegzaam aandacht is geschonken aan de door hen gestelde klachten en de door hen gebruikte medicijnen, waaronder de door appellant genoemde pijnstiller.


4.3.

De in hoger beroep alsnog ingebrachte medische informatie van de behandelende sector werpt geen ander licht op de situatie en de beperkingen van appellanten dan zijn weergegeven in het medisch rapport van 26 maart 2013. Deze gegevens geven geen blijk van dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB, op grond waarvan het college tot een verdergaande ontheffing had moeten besluiten. De enkele stelling dat appellanten hun beperkingen sterker ervaren dan in de rapporten van de verzekeringsgeneeskundige is weergegeven is in dat verband onvoldoende.


4.4.

Appellant heeft in het bijzonder nog gewezen op een medische verklaring van een Belgische arts van 2 oktober 2007 dat appellant niet werkbekwaam is, wanneer hij zich niet laat behandelen. Nu deze verklaring niet ziet op de gezondheidssituatie van appellant ten tijde van het besluit van 16 april 2013, en overigens ook niet laat zien welke beperkingen exact voor appellant zouden gelden, wordt aan deze verklaring niet het gewicht toegekend dat appellant daaraan toegekend wil zien.


4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.C.F. Talman en

G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs



(getekend) C. Moustaïne

HD