Centrale Raad van Beroep, 03-03-2015 / 13-1451 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:702

Inhoudsindicatie
Vaststellen van het maximumbedrag van de geldlening onder verband van krediethypotheek. WOZ-waarde. Peildatum. De Raad voorziet zelf.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-03
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
13-1451 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1451 WWB, 14/5393 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 februari 2013, 12/1650 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Appellant, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Buijs. Het college heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. M. Mos.

Het onderzoek ter zitting is geschorst, waarbij aan appellant is verzocht nadere informatie over te leggen over een al dan niet (meer) bestaande levensverzekering, gekoppeld aan de hypotheken op de woning van appellant aan de [adres].

Bij brief van 18 december 2014 heeft appellant de gevraagde stukken overgelegd en toegelicht.

Bij brief van 7 januari 2015 heeft het college hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Het onderzoek is hierna gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 17 augustus 2011 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 12 oktober 2011 heeft het college aan appellant met ingang van 17 augustus 2011 algemene bijstand in de vorm van een geldlening toegekend. Daarbij is aan appellant de verplichting opgelegd medewerking te verlenen aan het onderzoek omtrent het vestigen van een krediethypotheek op zijn woning. Bij besluit van

27 oktober 2011 heeft het college het maximale bedrag van de geldlening bepaald op

€ 56.005,35. Voor de vaststelling van de waarde van de woning heeft het college aansluiting gezocht bij de WOZ-waarde, waardepeildatum 1 januari 2011. Bij besluit van 16 januari 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is, voor zover van belang, overwogen dat het college het maximumbedrag van de geldlening - nadat een bezwaar tegen de vaststelling van de

WOZ-waarde gegrond was verklaard - inmiddels heeft bijgesteld naar € 17.005,35. Daarmee is volgens de rechtbank de stelling van appellant dat bij de vaststelling van het maximumbedrag aan geldlening van een onjuist bedrag is uitgegaan, komen te vervallen.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat de berekening van het maximumbedrag van de geldlening nog steeds onjuist is vastgesteld. Volgens appellant bedraagt de totale hypotheekschuld

€ 147.500,- in plaats van € 147.000,-. Ten tijde van de aanvraag was voorts geen sprake van een levensverzekering zodat ten onrechte een afkoopwaarde van circa € 6.000,- in de berekening is opgenomen. Ten slotte dient te worden aangesloten bij de WOZ-waarde van de woning in 2013, waardepeildatum 1 januari 2012, omdat deze datum dichter bij 17 augustus 2011 ligt dan 1 januari 2011.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vooropgesteld wordt dat het college niet langer vasthoudt aan de in het bestreden besluit opgemaakte berekening van het maximumbedrag van de geldlening. Voor de WOZ-waarde moet bij nader inzien worden uitgegaan van € 205.000,- ( in plaats van € 244.000,- ) en de bestaande hypotheken bedragen tezamen € 147.500,- (in plaats van € 147.000,-). Reeds hierom kan de aangevallen uitspraak, waarbij van de juistheid van deze bedragen is uitgegaan, geen standhouden zodat deze, evenals het bestreden besluit, dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad een oordeel geven over de nog resterende geschilpunten.


4.2.

Gelet op de nader ingezonden stukken en het verhandelde ter zitting is tussen partijen nog uitsluitend in geschil of het college voor de waardebepaling van de woning heeft kunnen uitgaan van de WOZ-waarde van de woning in 2012, waardepeildatum 1 januari 2011.


4.3.

Het bijstandverlenend orgaan kan voor de waardebepaling van woningen in Nederland

- ook bij de vaststelling van het maximumbedrag van de geldlening onder verband van krediethypotheek - in beginsel aansluiting zoeken bij de meest recente vaststelling van de WOZ-waarde van de woning. Het staat een betrokkene vrij daar een taxatierapport, opgemaakt door een beëdigd makelaar, tegenover te stellen.


4.4.

Appellant heeft geen taxatierapport in het geding gebracht, maar betoogd dat de

WOZ-waarde 2013, waardepeildatum 1 januari 2012, moet worden aangehouden. Laatstgenoemde datum ligt dichter bij de aanvraagdatum dan de door het college gehanteerde datum 1 januari 2011. De Raad ziet geen aanleiding appellant hierin te volgen. Het college is bij de toekenning van de bijstand uitgegaan van de vastgestelde WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2011. Appellant heeft deze waarde niet met een contra-expertise aangevochten. Het college kon daarom de ten tijde van de aanvraag op 17 augustus 2011 nog geldende, laatstelijk vastgestelde WOZ-waarde als uitgangspunt nemen voor de waardevaststelling van de woning bij de berekening van het maximumbedrag van de geldlening onder verband van krediethypotheek. Dat de WOZ-waarde in 2013 met waardepeildatum 1 januari 2012 verder is gedaald naar € 197.000,- kan hier op zichzelf niet aan afdoen.


4.5.

Mede gelet op de na de zitting van de Raad van de zijde van appellant ontvangen gegevens en de daarop gegeven toelichting, bestaat geen aanleiding om in deze berekening nog een bedrag wegens afkoopwaarde van een levensverzekering als positief vermogensbestanddeel mee te nemen. Wat het college in dat verband nog heeft opgemerkt omtrent de vorm en voorwaarden van de hypotheek op de woning van appellant in de periode (ruim) voorafgaand aan de datum van aanvraag om bijstand kan hieraan niet afdoen, omdat de vermogenssituatie op die datum bepalend is en vaststaat dat toen geen sprake meer was van een aan de hypotheek op de woning gekoppelde levensverzekering.


4.6.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 27 oktober 2011 in zoverre te herroepen dat het maximumbedrag van de geldlening onder verband van krediethypotheek wordt vastgesteld op

€ 10.100,-. Aldus berekend:


WOZ-waarde woning € 205.000,-

Restant hypotheek € 147.500,-

Saldo € 57.500,-


Overig in aanmerking te nemen vermogen € 0,-

Wwb-vrijstelling eigen woning € 46.900,-

Maximumbedrag geldlening

onder verband van krediethypotheek € 10.600,-


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 januari 2012 voor zover dit ziet op het vaststellen van het

maximumbedrag van de geldlening onder het verband van krediethypotheek;

- herroept het besluit van 27 oktober 2011 in zoverre, bepaalt dat het maximumbedrag van de

geldlening onder verband van krediethypotheek wordt vastgesteld op € 10.600,- en bepaalt

dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit

van 16 januari 2012;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.C.F. Talman en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2015.



(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C. Moustaine




HD