Centrale Raad van Beroep, 10-03-2015 / 14-141 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:705

Inhoudsindicatie
Afwijzing twee bijstandsaanvragen. Toekenning bijstand met aftrek van het bedrag van € 576,- aan maandelijkse schadevergoeding. Ingangsdatum .
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
14-141 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/124
Uitspraak

14/141 WWB, 14/142 WWB

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

28 november 2013, 12/1332 en 12/1878 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (België) (appellant)

het dagelijks bestuur van de regionale sociale dienst Pentasz Mergelland (het dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Namens appellant is verschenen mr. S.S. Ikiz, kantoorgenoot van mr. Nadaud. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door K.E.A. Lindelauf.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft de Duitse nationaliteit. Bij beslissing van het Versorgungsamt te Hamburg (Duitsland) van 18 maart 1983 is hem een “Grundrente” toegekend, bestaande uit een maandelijkse uitkering, laatstelijk ter hoogte van € 576,- per maand. Deze uitkering (hierna: de schadevergoeding) is hem toegekend op basis van het Infektionsschutzgesetz nadat appellant ten gevolge van een injectie grotendeels doof is geworden. Op 22 juni 2011 heeft appellant bij het Jobcenter StädteRegion Aachen een aanvraag gedaan voor “Leistungen zur Sicherung des Lebensunterhalts”. Een dergelijke uitkering is hem bij beslissing van 30 juni 2011 toegekend voor de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011. Deze uitkering (hierna: de Duitse bijstand) bestond uit een maandelijks bedrag van € 364,- voor kosten levensonderhoud en een maandelijks bedrag aan tegemoetkoming voor huur- en energiekosten van € 350,-. Op enig moment in 2011 is appellant naar Nederland verhuisd. Met ingang van 1 mei 2011 had hij een huurovereenkomst voor een woning aan de [adres]. Met ingang van 15 september 2011 stond appellant op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans de Basisregistratie Personen (BPR).


1.2.

Op 17 oktober 2011 heeft appellant zich gemeld bij het UWV Werkbedrijf Gulpen voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 9 november 2011 (primair besluit 1) heeft het dagelijks bestuur deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet heeft aangetoond dat hij op de datum van de aanvraag langer dan drie maanden in Nederland verbleef, zodat hij op grond van artikel 11 van de WWB niet met een Nederlander gelijkgesteld kan worden.


1.3.

Op 6 december 2011 heeft appellant zich opnieuw gemeld bij het UWV Werkbedrijf Gulpen voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de WWB. Bij besluit van 22 december 2011 (primair besluit 2) heeft het dagelijks bestuur deze aanvraag afgewezen op de grond dat de schadevergoeding en Duitse bijstand die appellant maandelijks ontvangt, aangemerkt kunnen worden als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de WWB.


1.4.

Op 27 januari 2012 heeft appellant zich opnieuw gemeld bij het UWV Werkbedrijf Gulpen voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de WWB. Hij heeft daarbij verzocht om toekenning met ingang van 1 januari 2012. Bij besluit van 27 maart 2012 (primair besluit 3) heeft het dagelijks bestuur appellant deze bijstand toegekend, voor zover van belang met ingang van 27 januari 2012 en onder aftrek van het bedrag van € 576,- aan maandelijkse schadevergoeding. Aan de advocaat van appellant is daarnaast per brief medegedeeld dat toekenning van de bijstand gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht van appellant in Nederland.


1.5.

Appellant heeft zich op 2 november 2011 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) laten registreren als economisch niet-actieve EU/EER onderdaan. Ten behoeve van deze registratie heeft hij aangetoond dat hij zelfstandig beschikte over voldoende middelen om in Nederland in zijn levensonderhoud te voorzien. Het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding van de aanvragen om bijstand van appellant bij de IND melding gedaan van het voornemen van appellant om een beroep te doen op de publieke middelen. De IND heeft naar aanleiding daarvan een onderzoek ingesteld naar het rechtmatig verblijf van appellant als economisch niet-actieve onderdaan van de Europese Unie, bestaande uit een beoordeling of appellant voldoet aan de voorwaarde dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht uit hoofde van artikel 7, lid 1, sub b, van Richtlijn 2003/38/EG. Bij beschikking van 1 juni 2012 heeft de IND appellant de uitkomsten van dit onderzoek medegedeeld, alsmede de conclusie dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan zodat zijn verblijfsrecht voor meer dan drie maanden sinds 17 oktober 2011 is vervallen. Daarbij is medegedeeld dat appellant zelfstandig Nederland dient te verlaten, bij gebreke waarvan hij kan worden verwijderd. Indien hij tijdig bezwaar maakt tegen de beschikking, worden deze rechtsgevolgen opgeschort. Het door appellant ingestelde bezwaar tegen de beschikking van de IND van 1 juni 2012 is bij beslissing op bezwaar van 11 september 2012 kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant pas op 27 januari 2012, de datum waarop hij daadwerkelijk een beroep heeft gedaan op de publieke middelen, een onredelijke last is gaan vormen voor Nederland, zodat zijn verblijfsrecht dan ook met ingang van 27 januari 2012 is vervallen.


1.6.

Bij besluit van 18 juni 2012 (bestreden besluit I) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het primair besluit 1 ongegrond verklaard. Bij hetzelfde besluit heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het primair besluit 2, onder wijziging van de grondslag, eveneens ongegrond verklaard. Aan de afwijzing van de aanvraag van appellant van 6 december 2011 wordt thans ten grondslag gelegd dat op grond van de beschikking van de IND van 1 juni 2012 het verblijfsrecht van appellant met ingang van 17 oktober 2011 vervallen is verklaard. Tegen die achtergrond heeft appellant op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB geen recht op bijstand.


1.7.

Bij besluit van 27 september 2012 (bestreden besluit II) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het primair besluit 3, gericht tegen de ingangsdatum van de bijstand en het in mindering brengen van de schadevergoeding, ongegrond verklaard. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat de aanvraag had moeten worden afgewezen gelet op de omstandigheid dat het verblijfsrecht van appellant met ingang van 17 oktober 2011 vervallen is verklaard. Gelet daarop komt het dagelijks bestuur aan de bezwaren van appellant tegen de ingangsdatum en het in mindering brengen van de schadevergoeding niet toe.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de overwegingen 6.1 tot en met 6.9 en 11.1 van de aangevallen uitspraak.


Inzake 14/141, de afwijzing van de aanvragen van 17 oktober 2011 en 6 december 2011


4.1.1.

De te beoordelen perioden lopen van 17 oktober 2011 (melding ten behoeve van de eerste aanvraag) tot en met 9 november 2011 (primair besluit 1) respectievelijk van

6 december 2011 (melding ten behoeve van de tweede aanvraag) tot en met

22 december 2011 (primair besluit 2).


4.1.2.

Vaststaat dat appellant tijdens beide te beoordelen perioden inkomsten genoot van € 576,- per maand aan schadevergoeding en (€ 364,- + € 350,- =) € 714,- per maand aan Duitse bijstand. Appellant had daarmee de beschikking over inkomsten van in totaal € 1.290,-, derhalve ruim boven de bijstandsnorm voor een alleenstaande ter hoogte van op dat moment € 923,90 (inclusief vakantietoeslag en de maximale gemeentelijke toeslag). Overeenkomstig het door het dagelijks bestuur ter zitting van de Raad ingenomen subsidiaire standpunt had appellant derhalve in beide te beoordelen perioden op grond van artikel 19, eerste lid, onder a, van de WWB geen recht op bijstand.


4.1.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de Duitse bijstand niet aan te merken valt als inkomsten waarmee voor de vaststelling van zijn recht op bijstand rekening gehouden moet worden. Deze grond slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de Duitse bijstand is aan te merken als een sociale zekerheidsuitkering die betrekking heeft op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan en derhalve is aan te merken als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB. Gelet op het complementaire karakter van de bijstand doet daaraan niet af dat, naar appellant stelt, de Duitse bijstand is toegekend onder voorwaarde van verrekening met een eventueel van het dagelijks bestuur te ontvangen bijstand.


4.1.4.

Ten aanzien van de schadevergoeding heeft de rechtbank (onder 7.5 van de aangevallen uitspraak), de ruime beoordelingsvrijheid van het dagelijks bestuur in aanmerking nemend, overwogen dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de schadevergoeding uit het oogpunt van bijstandsverlening niet verantwoord is, nu het een langdurige maandelijkse uitkering betreft van een relatief hoog bedrag. Appellant heeft tegen dit oordeel slechts aangevoerd dat het gaat om een immateriële schadevergoeding zodat reeds daarom de schadevergoeding niet tot de middelen kan worden gerekend. Deze grond slaagt niet. De uitzondering als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder m, van de WWB geldt immers slechts voor immateriële schadevergoedingen die naar het oordeel van het college uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. De enkele omstandigheid dat (een gedeelte van) de schadevergoeding betrekking heeft op toegevoegd leed, is derhalve onvoldoende om te oordelen dat het dagelijks bestuur een kennelijk onredelijke afweging heeft gemaakt. Nu de schadevergoeding op grond van de Duitse Infektionsschutzgesetz geen bij ministeriële regeling aangewezen uitkering of vergoeding voor materiële of immateriële schade betreft en evenmin een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, slaagt ook de grond niet dat de schadevergoeding is uitgezonderd van de middelen op grond van artikel 31, tweede lid, onder l of t, van de WWB.


4.1.5.

Gelet op 4.1.1 tot en met 4.1.4 had appellant in de te beoordelen perioden geen recht op bijstand. In het midden kan derhalve blijven of appellant over die perioden rechtmatig verblijf in Nederland genoot.


Inzake 14/142, de aanvraag van 27 januari 2012


4.2.1.

De te beoordelen periode loopt van 27 januari 2012 (melding ten behoeve van de aanvraag) tot en met 27 maart 2012 (primair besluit 3).


4.2.2.

De beroepsgronden van appellant richten zich tegen de ingangsdatum en tegen het in mindering brengen op de toegekende bijstand van de schadevergoeding. Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.1.4 is overwogen, kan de schadevergoeding worden aangemerkt als voor de bijstand in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 van de WWB. De beroepsgrond dat het dagelijks bestuur ten onrechte is overgegaan tot toekenning van bijstand onder aftrek van deze in aanmerking te nemen middelen, slaagt daarom niet.


4.2.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.


4.2.4.

Appellant heeft in dit verband - zo begrijpt de Raad - aangevoerd dat hem was toegezegd dat de bijstand op 1 januari 2011 zou ingaan. De rechtbank heeft onder 12.2 van de aangevallen uitspraak overwogen dat niet is gebleken van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het dagelijks bestuur die bij appellant het in rechte te honoreren vertrouwen zou hebben gewekt dat hem, ook bij afwijzing van de aanvraag van 6 december 2011, bijstand zou worden toegekend met ingang van 1 januari 2012, zodra zijn recht op de Duitse bijstand zou eindigen. Appellant heeft in hoger beroep op dit punt slechts verwezen naar zijn in bezwaar aangehaalde grond dat hij er op grond van de contacten met de gemeente in december 2011 wel gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hem bijstand zou worden toegekend. Appellant heeft echter geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging door een tot beslissen bevoegde ambtenaar wel sprake is geweest.


4.2.5.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.4 volgt dat de beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak ten aanzien van het bestreden besluit II niet slagen. In het midden kan derhalve blijven of appellant in de te beoordelen periode rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.


4.3.

Uit 4.1.5 en 4.2.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) O.P.L. Hovens




HD