Centrale Raad van Beroep, 10-03-2015 / 14-2354 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:707

Inhoudsindicatie
Functieonderhoud. Appellant heeft (wel) aannemelijk gemaakt dat hij in de referteperiode meer dan incidenteel werkzaamheden heeft verricht in de hoedanigheid van hulpofficier van justitie die wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie en de in samenhang daarmee geldende functiebeschrijving. De Raad voorziet zelf.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
14-2354 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2354 AW

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 maart 2014, 13/1987 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van de politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio [regio] (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. Th. Boumans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken in gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boumans. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.M. Haagmans en F.J.H. Gunther.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam als Teamchef A (recherche) met schaal 9 binnen de Districtsrecherche van de voormalige politieregio [regio].


1.2.

Nadat de korpschef betrokkene kenbaar had gemaakt dat hij in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LNFP) het voornemen had de door appellant op 31 maart 2011 uitgeoefende functie aan te merken als uitgangspositie van betrokkene voor de omzetting naar het LFNP, heeft betrokkene verzocht om functieonderhoud op grond van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie

(Trfp, Stcrt. 2012, nr. 3097).


1.3.

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft de korpschef dit verzoek afgewezen.


1.4.

Bij besluit van 28 mei 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 8 februari 2012 in zoverre herroepen. De korpschef heeft een aangepaste mensfunctiebeschrijving opgesteld waarin werkzaamheden van appellant in het kader van het Recherche beleidspiket, zijn optreden als plaatsvervanger van de chef recherche en als leider van de dag zijn opgenomen. De korpschef heeft geweigerd de taken van appellant als hulpofficier van justitie in de mensfunctiebeschrijving op te nemen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn werkzaamheden als hulpofficier van justitie ten onrechte niet in de mensfunctiebeschrijving zijn opgenomen. Daarnaast stelt appellant zich op het standpunt dat zijn werkzaamheden in het kader van het Recherche beleidspiket en als plaatsvervangend chef Recherche en leider van de dag onvoldoende zijn beschreven.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Trfp maakt de ambtenaar in de aanvraag tot functieonderhoud aannemelijk dat hij gedurende ten minste een jaar op enig moment binnen de referteperiode feitelijk opgedragen werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie en in samenhang daarmee de voor hem geldende functiebeschrijving.


4.1.2.

Op grond van artikel 4, aanhef en onder c, van de Trfp wijst het bevoegd gezag de aanvraag om functieonderhoud af indien de feitelijke werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Trfp niet wezenlijk afwijken van de functie van de ambtenaar en in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving.


4.2.

Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de referteperiode meer dan incidenteel werkzaamheden heeft verricht in de hoedanigheid van hulpofficier van justitie die wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie en de in samenhang daarmee geldende functiebeschrijving. De korpschef heeft niet bestreden dat appellant als hulpofficier van justitie de volledige operationele verantwoordelijkheid heeft voor de afhandeling van strafbare feiten en hij daarbij zelfstandig beslissingen neemt. Door het optreden als hulpofficier van justitie te beschouwen als de vervulling van een afzonderlijke functie, zoals ter zitting naar voren is gebracht, erkent de korpschef in feite dat deze werkzaamheden niet kunnen worden geschaard onder de voor appellant geldende functiebeschrijving. De omstandigheid dat er bij de voormalige politieregio [regio] voor was gekozen iedere politieambtenaar die is benoemd in schaal 9 en die drie jaar werkervaring en een geldig certificaat heeft, aan te merken als hulpofficier van justitie, kan, gelet op het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder c, van de Trfp geen reden zijn feitelijk opgedragen werkzaamheden als hulpofficier van justitie, indien deze wezenlijk afwijken van de uitgeoefende functie, niet op te nemen in de geldende functiebeschrijving. Ook het zijn van neventaak van deze werkzaamheden kan geen grondslag opleveren voor het afwijzen van functieonderhoud, omdat het bij appellant gaat om wezenlijk afwijkende werkzaamheden van een meer dan incidentele omvang. Deze beroepsgrond slaagt.


4.3.

Over de werkzaamheden van appellant in het kader van het Recherche beleidspiket, als plaatsvervangend chef Recherche en als leider van de dag, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de korpschef deze voldoende heeft beschreven. Appellant is er volgens de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij nog andere werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de bij het bestreden besluit gevoegde mensfunctiebeschrijving. De daartegen gerichte beroepsgronden van appellant slagen niet. De Raad onderschrijft wat de rechtbank heeft overwogen en voegt daar nog het volgende aan toe.


4.4.

De werkzaamheden die appellant heeft verricht als plaatsvervangend chef Recherche, heeft de korpschef in de mensfunctiebeschrijving opgenomen door te vermelden dat appellant meeschrijft aan de korpsbeschrijving, bij afwezigheid van de Chef districtsrecherche of diens plaatsvervanger deelneemt aan overleggremia en door taken op het bijdragegebied Bedrijfsvoering aan te vullen en toe te voegen. Tevens is het onderdeel Spelregels en speelruimte van dit bijdragegebied aangepast. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn werkzaamheden als plaatsvervangend chef Recherche aldus niet voldoende zijn beschreven. Dat zijn werkzaamheden als plaatsvervanger ook kunnen worden gebracht onder de functiebeschrijving teamchef C (chef Recherche), zoals appellant stelt, is niet van belang. In het kader van een aanvraag om functieonderhoud gaat het er immers niet om of de feitelijk opgedragen werkzaamheden onder een andere functiebeschrijving kunnen worden gebracht, maar of de feitelijk opgedragen werkzaamheden wezenlijk afwijken van de voor betrokkene geldende functie en in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving. Dat bij andere onderdelen van de voormalige politieregio [regio], anders dan bij de districtsrecherche waarbij appellant werkzaam was, een functie van plaatsvervangend chef bestond, maakt niet dat appellant een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt. Het is namelijk aan de korpschef een keuze te maken voor de inrichting van de organisatie.


4.5.

Dat appellant als leider van de dag en in het kader van het Recherche beleidspiket meer medewerkers functioneel aanstuurt dan de 8 tot 16 fte waaraan hij beheersmatig leiding geeft, komt in de mensfunctiebeschrijving voldoende tot uitdrukking. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij deze aansturing sprake is van een andere vorm van leidinggeven dan een functionele.


4.6.

De Raad deelt evenmin het standpunt van appellant dat de korpschef zijn werkzaamheden niet voldoende concreet heeft omschreven. Waar de mensfunctiebeschrijving voortborduurt op een functiebeschrijving op hoofdlijnen mocht de korpschef ook de afwijkende werkzaamheden op hoofdlijnen weergeven. De door appellant voorgestane verregaande detaillering in zijn functiebeschrijving is daarbij niet nodig.


4.7.

Uit wat onder 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en de Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover de werkzaamheden als hulpofficier van justitie niet in de mensfunctiebeschrijving zijn opgenomen. De Raad kan zelf voorzien en zal bepalen dat deze werkzaamheden aan de functiebeschrijving worden toegevoegd.


5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 mei 2013 voor zover de

werkzaamheden van appellant als hulpofficier van justitie niet in de mensfunctiebeschrijving

zijn opgenomen;

- bepaalt dat aan de mensfunctiebeschrijving onder ‘5.5 overige taken’ wordt toegevoegd: het

bij toerbeurt en in voorkomende gevallen verrichten van de taak van hulpofficier van justitie;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van

28 mei 2013;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 406,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) B. Rikhof



HD