Centrale Raad van Beroep, 11-03-2015 / 10-3399 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:709

Inhoudsindicatie
De mededeling van de voormalige advocaat van betrokkene dat uitsluitend nog aanspraak wordt gemaakt op een traplift komt voor risico van betrokkene. Beroep tegen toekenning vergoeding voor traplift wordt ongegrond verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-11
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
10-3399 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/127
Uitspraak

10/3399 WMO, 14/6049 WMO

Datum uitspraak: 11 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

3 mei 2010, 09/272 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2013. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Y.J.P. Pozun. Namens betrokkene is mr. Hilkens verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Appellant heeft op 21 mei 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen en nadere stukken ingediend.

Betrokkene heeft zijn zienswijze gegeven op bestreden besluit 2 en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 28 januari 2015. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Pozun. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. P.R.J.M. Douffet, advocaat.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene ondervindt beperkingen ten gevolge van een amputatie van het linker onderbeen. Op 9 oktober 2007 is betrokkene met zijn gezin verhuisd van een gedeeltelijk aangepaste huurwoning naar een koopwoning aan de [adres].


1.2.

Op 15 november 2007 heeft betrokkene een aanvraag gedaan om een woonvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van een traplift, een verhoogd toilet en aanpassingen aan de badkamer en de entree.


1.3.

Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft appellant een vergoeding van € 1.500,- aan betrokkene toegekend voor aanpassing van de woning.


1.4.

Bij besluit van 9 januari 2009 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2008 ongegrond verklaard. Appellant heeft hieraan ten grondslag gelegd dat betrokkene niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning. De aanvraag had op deze grond afgewezen dienen te worden. Appellant heeft de toegekende vergoeding echter in stand gelaten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft overwogen dat appellant aan de afwijzing van de aanvraag een onjuiste maatstaf ten grondslag heeft gelegd. Beoordeeld dient te worden of de verhuizing van betrokkene naar de huidige woning, gerekend naar de omstandigheden van dat moment, is aan te merken als de goedkoopste adequate oplossing.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat de rechtbank een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd. Op grond van het aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde artikel 21, aanhef en onder b, van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Sittard-Geleen 2008 ligt ter beoordeling voor of betrokkene is verhuisd naar de op dat moment beschikbare meest geschikte woning en niet of de verhuizing de goedkoopste adequate oplossing is.


4.1.

Na de behandeling van het hoger beroep ter zitting van 17 april 2013, heeft appellant bij bestreden besluit 2 een vergoeding van € 6.270,- aan betrokkene toegekend voor een woonvoorziening in de vorm van een traplift.


4.2.

Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat met bestreden besluit 2 niet volledig is tegemoet gekomen aan zijn bezwaar, omdat hij ook heeft verzocht om aanpassingen aan het toilet, de badkamer en de entree en daarop door appellant nog niet is beslist.


4.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene tijdens de zitting van

17 april 2013 afstand heeft gedaan van de aangevraagde aanpassingen aan het toilet, de badkamer en de entree en dat het geschil is beperkt tot de traplift. Met betreden besluit 2 is volledig aan het bezwaar van betrokkene tegemoet gekomen.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Omvang


5.1.

Bestreden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.


5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de voormalige advocaat van betrokkene, mr. Hilkens, ter zitting van de Raad van 17 april 2013 heeft meegedeeld dat betrokkene enkel nog aanspraak maakt op een traplift. Voor zover betrokkene heeft aangevoerd dat mr. Hilkens tegen de uitdrukkelijke wens van betrokkene afstand heeft gedaan van de overige aangevraagde voorzieningen, geldt volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:159) dat handelingen van de raadsman als regel aan de vertegenwoordigde cliënt moeten worden toegerekend. Dit brengt ook in dit geval mee dat het handelen van mr. Hilkens en de gevolgen daarvan voor risico komen van betrokkene. Uitgaande van de door betrokkene verzochte voorzieningen zoals weergegeven in overweging 1.2, betekent dit dat in hoger beroep alleen nog de woonvoorziening in de vorm van een traplift voorligt. Nu appellant het hoger beroep niet heeft ingetrokken, zal de Raad hierover een oordeel geven.


Aangevallen uitspraak


5.3.

Uit bestreden besluit 2 blijkt dat appellant bestreden besluit 1, voor zover aangevochten, niet langer handhaaft.


5.4.

Nu van enig concreet door appellant gesteld belang bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak niet is gebleken, wordt geoordeeld dat het procesbelang van appellant bij het hoger beroep is komen te vervallen. Het hoger beroep zal dan ook

niet-ontvankelijk worden verklaard.

Bestreden besluit 2


5.5.

Betrokkene heeft in zijn zienswijze op bestreden besluit 2 geen gronden aangevoerd tegen de door appellant toegekende vergoeding voor de traplift. De Raad leidt hieruit af dat met dit besluit volledig is tegemoetgekomen aan het beroep. Dit betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.


Griffierecht en proceskosten


6.1.

De Raad zal van appellant een griffierecht heffen, gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet.


6.2.

Er is aanleiding om appellant te veroordelen in (een gedeelte van) de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, nu het geschil eerst nadat de zaak is behandeld ter zitting van

17 april 2013 is beperkt tot de traplift en door appellant bestreden besluit 2 is genomen. Deze kosten worden begroot op € 980,-.


6.3.

Ter voorlichting aan partijen voegt de Raad nog toe dat met deze uitspraak het geschil tussen partijen is beëindigd en dat er geen oordeel meer zal volgen over de andere door betrokkene aangevraagde voorzieningen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 mei 2014 ongegrond;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 980,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 448,- wordt geheven.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015.



(getekend) R.M. van Male




(getekend) D. van Wijk




GdJ