Centrale Raad van Beroep, 10-03-2015 / 13-5294 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:721

Inhoudsindicatie
Niet in behandeling nemen van de aanvraag. Appellant heeft het arbeidscontract niet tijdig overgelegd. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij binnen de hersteltermijn met de commissie contact heeft opgenomen teneinde uitstel te verkrijgen voor het overleggen van het arbeidscontract.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
13-5294 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5294 WWB

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 augustus 2013, 13/2264 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J.E. Loontjens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Namens appellant is verschenen mr. Loontjes. De commissie heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 18 september 2012 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand.


1.2.

Naar aanleiding van het feit dat appellant nog geen eigen bankrekening had en per

1 november 2012 werk had gevonden, is hem bij brief van 19 oktober 2012 verzocht uiterlijk

26 oktober 2012 een kopie van bewijs van opening van een bankrekening en een kopie van het arbeidscontract te overleggen.


1.3.

Op 31 oktober 2012 heeft de klantmanager de commissie geadviseerd de aanvraag buiten behandeling te stellen. Omdat na raadpleging van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans de Basisregistratie Personen, was gebleken dat appellant per 29 oktober 2012 was geëmigreerd naar Kathmandu, Nepal, is het desbetreffende besluit niet verzonden.


1.4.

Bij brief van 4 november 2012 heeft appellant de gevraagde kopie van bewijs van opening van een bankrekening overgelegd en de commissie verzocht de bijstand toe te kennen. Op 12 november 2012 heeft appellant vanuit het buitenland telefonisch contact opgenomen met zijn klantmanager om te vragen hoe het met zijn aanvraag staat.


1.5.

Bij besluit van 12 november 2012, verzonden aan het laatstelijk bekende adres van appellant, heeft de commissie vervolgens de aanvraag van 18 september 2012 met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet (op tijd) heeft overgelegd.


1.6.

Bij besluit van 29 maart 2013 (bestreden besluit) heeft de commissie het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Tussen partijen is enkel in geschil of het gevraagde arbeidscontract noodzakelijk was voor een goede beoordeling van de aanvraag en of appellant tijdig om een verlenging van de hersteltermijn heeft verzocht.


4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de commissie voor het in behandeling nemen van de aanvraag diende te beschikken over het gevraagde arbeidscontract. De omstandigheid dat appellant werkzaamheden verricht of gaat verrichten is van belang voor het bepalen van het recht op bestand. Daaraan doet niet af dat, zoals appellant heeft aangevoerd, het gaat om een afgebakende periode omdat hij per 1 november 2012 een baan had gevonden en hij per

29 oktober 2012 is uitgeschreven uit de GBA wegens emigratie. Juist ter verificatie van die eerste datum heeft de commissie appellant gevraagd om een kopie van het arbeidscontract. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de vraag of er sprake is van een arbeidscontract, wanneer deze aanvangt/eindigt alsook de vraag wat de verdiensten zijn, ook op een andere wijze kan worden geverifieerd, bijvoorbeeld door het opnemen van contact met de werkgever. Het is aan appellant om zijn aanvraag met de benodigde stukken te onderbouwen.


4.4.

Appellant heeft het arbeidscontract niet uiterlijk 26 oktober 2012 overgelegd. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij binnen de hersteltermijn met de commissie contact heeft opgenomen teneinde uitstel te verkrijgen voor het overleggen van het arbeidscontract. In de gedingstukken zijn daarvoor ook geen aanknopingspunten te vinden.


4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg, als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) R.G. van den Berg




HD