Centrale Raad van Beroep, 12-03-2015 / 12-6883 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:734

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om uitbetaling van het spaarverlof.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
12-6883 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6883 AW

Datum uitspraak: 12 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

21 november 2012, 12/511 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Duitsland, (appellant)

het bestuur van de Stichting Het Stedelijk Lyceum Enschede (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.E.R.M. Lathouwers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. H. Eillert, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lathouwers en mr. R. Slager. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Eillert, drs. P.N.J. Nieuwstraten en drs. P.W.F. Breuer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sedert 1 augustus 1980 als docent werkzaam voor het bestuur. Hij heeft deelgenomen aan spaarverlof op grond van de Regeling spaarverlof voortgezet onderwijs (Regeling) en tot 1 augustus 2008 spaarverlof opgebouwd.


1.2.

Bij brief van 2 maart 2010 heeft het bestuur appellant meegedeeld dat zijn spaartermijn per 1 augustus 2010 is beëindigd en dat zijn (restant) spaarsaldo op dat moment 290 klokuren bedroeg. Voorts is appellant meegedeeld dat het verlof in beginsel dient te worden opgenomen in het schooljaar 2010 - 2011 en dat hij daartoe uiterlijk op 2 april 2010 zijn wensen met leidinggevende diende te bespreken. Het bestuur heeft appellant voor meer informatie verwezen naar de Regeling en gemeld dat de tekst daarvan op de website van het Stedelijk Lyceum te vinden is.


1.3.

Bij besluit van 15 december 2011 heeft het bestuur het verzoek van appellant van

7 december 2011 om uitbetaling van het door hem opgebouwde spaarverlof afgewezen.


1.4.

Bij besluit van 5 april 2012 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2011 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat op grond van de Regeling de mogelijkheid om verlof op te nemen op

1 augustus 2010 is komen te vervallen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens heeft hij verzocht om een veroordeling tot het vergoeden van schade.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

In de Regeling is bepaald dat de aanvang van de verlofopname in onderling overleg tussen werkgever en werknemer wordt bepaald, dat het verlof in beginsel in het schooljaar volgend op de overeengekomen spaartermijn wordt opgenomen en dat in overleg tussen de werknemer en het bevoegd gezag een later tijdstip kan worden overeengekomen, met dien verstande dat de periode van opname van het verlof uiterlijk in het derde schooljaar volgend op de overeengekomen spaartermijn begint en dat anders de opnamemogelijkheid vervalt.


4.1.2.

In de Regeling is verder bepaald dat bij ziekteverlof de volgende voorwaarden voor opname van het spaarverlof gelden. Als de werknemer geheel of gedeeltelijk ziek is op het moment dat het spaarverlof ingaat, wordt het spaarverlof volledig opgeschort, terwijl bij gehele of gedeeltelijke ziekte die aanvangt tijdens de verlofperiode het opnemen van het spaarverlof na vier weken wordt opgeschort voor de omvang in klokuren van het ziekteverlof.


4.1.3.

Daarnaast bevat de Regeling het voorschrift dat bij onvrijwillig ontslag, enkele niet ter zake doende uitzonderingen daargelaten, uitbetaling dient plaats te vinden van een bedrag dat wordt bepaald door het aantal verlofuren te vermenigvuldigen met het maandsalaris van de werknemer gedeeld door 138.


4.2.

Gelet op de onder 4.1.1 weergegeven bepaling van de Regeling diende het tot

1 augustus 2008 opgebouwde spaarverlof van appellant in het schooljaar 2008-2009 te worden opgenomen. Weliswaar hadden het bestuur en appellant de mogelijkheid het spaarverlof later op te nemen, maar appellant moest het verlof uiterlijk in het schooljaar

2010 - 2011 opnemen. Het bestuur heeft appellant daar in de brief van 2 maart 2010 nog eens extra op gewezen. Het bestuur heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat na afloop van het schooljaar 2010-2011 voor appellant de mogelijkheid om het door hem opgebouwde spaarverlof op te nemen was vervallen.


4.3.

Appellant heeft gewezen op de onder 4.1.3 weergegeven bepaling van de Regeling. Volgens hem brengt het verval van de mogelijkheid om spaarverlof op te nemen niet mee dat er geen recht op uitbetaling van opgebouwd spaarverlof bestaat bij het einde van het dienstverband. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Het verval van de mogelijkheid om spaarverlof op te nemen impliceert immers dat het recht op het opgebouwde verlof verloren is gegaan en dat daarmee tevens het recht op uitbetaling van dat opgebouwde verlof bij onvrijwillig ontslag teniet is gegaan. Het voorgaande betekent dat het bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vanaf 1 augustus 2011 van uitbetaling van opgebouwd verlof geen sprake kon zijn.


4.4.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij na de brief van 2 maart 2010 met zijn toenmalige locatiedirecteur S de afspraak heeft gemaakt dat hij spaarverlof zou opnemen rond de herfstvakantie van 2010 en dat hij het overige spaarverlof kon opnemen wanneer hij wilde, mits hij dat drie maanden tevoren zou doorgeven. Volgens appellant zouden deze afspraken zijn erkend door de directeur van het Stedelijk Lyceum, B, en door afdelingshoofd W per

e-mail bevestigd. De rechtbank heeft deze beroepsgrond terecht verworpen op de grond dat appellant zijn stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat appellant de door hem gestelde afspraken heeft gemaakt, blijkt evenmin uit de door hem in hoger beroep overgelegde samenvattingen van gesprekken die hij met locatiedirecteur N heeft gevoerd.


4.5.

Appellant heeft voorts betoogd dat hij niet in staat was het door hem opgebouwde verlof nog in het schooljaar 2010 -2011 op te nemen - aanvankelijk in verband met arbeidsongeschiktheid - en later in verband met een schorsing en dat het bestuur daarmee bij zijn besluit op het verzoek om uitbetaling van het door hem opgebouwde spaarverlof rekening had moeten houden. Dit betoog slaagt niet. De door appellant genoemde omstandigheden brengen niet mee dat het bestuur zich niet meer op de onder 4.1.1 weergegeven vervalbepaling van de Regeling zou mogen beroepen. Deze bepaling is dwingend geformuleerd en er zijn geen uitzonderingen gemaakt voor de door appellant genoemde situaties. In dit verband verdient opmerking dat de in 4.1.2 weergegeven bepaling van de Regeling in het geval van appellant toepassing mist, omdat van een situatie dat appellant ziek werd op het moment van de ingang van het spaarverlof of tijdens een periode van spaarverlof geen sprake was. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij afspraken over het opnemen van spaarverlof in het schooljaar 2010-2011 heeft gemaakt. De Raad verwijst in dit verband naar overweging 4.4.


4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat het bestuur heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat met T die net als appellant in het schooljaar 2010-2011 arbeidsongeschikt was, afspraken zijn gemaakt over het opnemen van spaarverlof in het schooljaar 2011-2012. Het bestuur heeft gesteld en door appellant is niet betwist dat bij C geen sprake was van een verzoek om uitbetaling van verlofrechten die reeds als vervallen dienden te worden beschouwd. Nu appellant verder niet heeft aangegeven in welke opzichten zijn situatie met die van T overeenkwam en welke gevolgen daaraan verbonden zouden moeten worden, slaagt deze beroepsgrond niet.


4.7.

Op grond van wat is overwogen onder 4.2 tot en met 4.6 treft het hoger beroep geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Wat onder 4.7 is overwogen betekent dat het verzoek om een veroordeling tot het vergoeden van schade zal worden afgewezen.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een veroordeling tot het vergoeden van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) B. Rikhof





HD