Centrale Raad van Beroep, 06-03-2015 / 12-5253 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:755

Inhoudsindicatie
Weigering WW-uitkering omdat appellante onder de Kroatische wetgeving valt en omdat het Uwv daarom niet bevoegd is om te beoordelen of aanspraak bestaat op een WW-uitkering. Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië inzake sociale zekerheid heeft exclusieve werking heeft en schrijft dus bindend voor welke wetgeving in bepaalde situaties van toepassing is. Verder heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat vanaf 1 september 2009 tot 1 januari 2011 op appellante de Kroatische sociale zekerheidswetgeving van toepassing is geweest. Dit betekent dat appellante op grond van artikel 3a, onder b, van de WW tot 1 januari 2011 niet beschouwd kan worden als werknemer in de zin van de WW. Voorts wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat appellante met toepassing van het Verdrag geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-06
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
12-5253 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/128
Uitspraak

12/5253 WW

Datum uitspraak: 6 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2012, 11/5151 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.S. Engelvaart hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2014. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Engelvaart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van den Weert.

Omdat de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft hij het onderzoek heropend. Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord. Partijen hebben op elkaars standpunt gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 23 januari 2015. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Engelvaart. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [in] 1968, heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij heeft een studie in de Kroatische en de Sloveense taal gevolgd. Met ingang van 1 februari 1996 is appellante werkzaamheden gaan verrichten voor de Nederlandse Ambassade in Zagreb. Per 1 januari 1998 is zij als lokaal aangeworven lid van het administratief personeel in dienst getreden bij de Nederlandse Ambassade in Zagreb als consulair medewerker/tolk/vertaler. Appellante verbleef in Kroatië op grond van jaarlijks te verlengen tijdelijke verblijfsvergunningen, met als verblijfstitel ‘Nederlandse werkneemster bij diplomatieke missie’. Deze vergunningen zijn op enig moment geëindigd. In elk geval beschikte appellante niet meer over een geldige verblijfstitel op 1 oktober 2010.


1.2.

Vanaf de aanvang van haar werkzaamheden in dienst van de Nederlandse Ambassade is de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op appellante van toepassing geweest. Sinds het van kracht worden van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië inzake sociale zekerheid (het Verdrag) in 2000, is daartoe, in afwijking van de in het Verdrag neergelegde hoofdregel, toestemming verleend door de Kroatische autoriteiten. Met ingang van 1 september 2009 hebben de Kroatische autoriteiten deze toestemming niet meer verleend.


1.3.

De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft bij besluit van 13 februari 2009 aan appellante meegedeeld dat met ingang van 1 september 2009 de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving niet langer op haar van toepassing is voor haar werkzaamheden in dienst van de Nederlandse Ambassade in Kroatië. Dit besluit is door de Svb na bezwaar gehandhaafd en het vervolgens namens appellante ingestelde beroep is door de rechtbank op 24 september 2010 ongegrond verklaard.


1.4.

Appellante heeft van 1 oktober 2007 tot 1 oktober 2010 ouderschapsverlof genoten. Gedurende dit verlof kon appellante niet opgenomen worden in het Kroatisch sociaal verzekeringsstelsel, maar vanaf laatstgenoemde datum wel, mits appellante over een geldige verblijfsstatus beschikte. De Ambassade heeft appellante erop gewezen dat zij aanspraak zou kunnen maken op een verblijfsstatus op grond van ‘verblijf bij partner’. Appellante heeft ervoor gekozen geen aanvraag voor een dergelijke verblijfstitel in te dienen. Omdat appellante in oktober 2010 niet beschikte over een geldige reguliere verblijfsvergunning is zij per

1 januari 2011 ontslagen door haar werkgever. Zij is vervolgens teruggekeerd naar Nederland.


1.5.

Appellante heeft in januari 2011 een aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ingediend bij het Uwv.


1.6.

Bij besluit van 24 februari 2011 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van appellante. Daartoe is overwogen dat appellante met ingang van 1 september 2009 niet langer onder de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving valt, omdat de Kroatische overheid niet langer toestemming heeft verleend om een uitzondering te maken op de regeling in het Verdrag aangaande de bevoegde verdragspartij.


1.7.

Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daarbij is aangevoerd dat zij vanaf 1 september 2009 vrijwillig verzekerd is geweest ingevolge de Nederlandse wetgeving.


1.8.

Bij besluit van 21 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante onder de Kroatische wetgeving valt en dat het Uwv daarom niet bevoegd is om te beoordelen of aanspraak bestaat op een WW-uitkering. Voorts is overwogen dat appellante zich niet vrijwillig heeft verzekerd voor de WW.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Daartoe is overwogen dat tot 1 januari 2011 op appellante de Kroatische sociale zekerheidswetgeving van toepassing is geweest en dat het Uwv ten onrechte heeft gesteld niet bevoegd te zijn om het verzoek van appellante om een WW-uitkering per 1 januari 2011 inhoudelijk te beoordelen. Voorts is overwogen dat appellante met toepassing van de artikelen 32 en 33 van het Verdrag geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering.


3.1.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat artikel 33 van het Verdrag in de weg staat aan toekenning van een WW-uitkering. Dit artikel is volgens appellante alleen van toepassing op emigrerende werknemers en niet op remigrerende werknemers zoals zij.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft besloten de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellante geen aanspraak heeft op een WW-uitkering op 1 januari 2011 dan wel een ander tijdstip gelegen kort na die datum.

4.2.

Voorop wordt gesteld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat uit artikel 7, eerste lid, van het Verdrag volgt dat het exclusieve werking heeft en dus bindend voorschrijft welke wetgeving in bepaalde situaties van toepassing is. Verder heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat vanaf 1 september 2009 tot 1 januari 2011 op appellante de Kroatische sociale zekerheidswetgeving van toepassing is geweest. In artikel 12, tweede lid, van het Verdrag is immers kort samengevat bepaald dat op lokaal aangeworven leden van een diplomatieke zending - zoals appellante - de wetgeving van de verdragsluitende partij van toepassing is op wiens grondgebied de diplomatieke zending is gevestigd. Voorts hebben de Kroatische autoriteiten vanaf 1 september 2009 geen toestemming meer verleend om af te wijken van het Verdrag voor appellante. Dit betekent dat appellante op grond van artikel 3a, onder b, van de WW tot 1 januari 2011 niet beschouwd kan worden als werknemer in de zin van de WW.


4.3.

Voorts wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat appellante met toepassing van het Verdrag geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering. Voor zover artikel 33 van het Verdrag van toepassing is in gevallen als het onderhavige, moet vastgesteld worden dat appellante in ieder geval niet voldoet aan de in sub b van dit artikel opgenomen voorwaarde dat zij gedurende de laatste twaalf maanden voor indiening van de aanvraag om de WW-uitkering in totaal ten minste vier weken op het grondgebied van ‘die partij’ - zijnde in dit geval Nederland - als werknemer moet hebben gewerkt. Verder voorziet het Verdrag niet in een aanspraak voor appellante op een WW-uitkering. Ook op grond van artikel 32 van het Verdrag kan appellante geen aanspraak maken op een WW-uitkering. Deze bepaling voorziet namelijk slechts in de samentelling van in beide verdragsluitende landen vervulde verzekerde tijdvakken voor het kunnen voldoen aan een gestelde nationale minimum verzekeringsduur en niet in een zelfstandige aanspraak op een Nederlandse WW-uitkering.


4.4.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) K. de Jong




RB