Centrale Raad van Beroep, 09-03-2015 / 13-4212 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:756

Inhoudsindicatie
Weigering uitkering op grond van de Wet WIA. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellant, zoals opgenomen in de FML niet juist zijn vastgesteld. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde FML, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de geselecteerde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht als geschikt dienen te worden aangemerkt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-09
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
13-4212 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR.nl 2015-0004
  • SZR-Updates.nl 2015-0004
Uitspraak

13/4212 WIA

Datum uitspraak: 9 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2013, 13/315 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.Z. Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 27 augustus 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 25 oktober 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontstaat, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 30 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep de gronden van het beroep herhaald. Appellant is van mening dat zijn voetklachten door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Appellant voert aan dat hij vanuit de behandelend sector als leefregel heeft meegekregen dat hij zijn voet niet mag belasten en zo veel mogelijk rust moet geven om pijnklachten en dystrofische klachten te vermijden. Voorts stelt appellant niet in staat te zijn de voor hem geselecteerde functies te vervullen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld geen aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat de beperkingen van appellant, zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), niet juist zijn vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport gemotiveerd uiteengezet waarom zij de door de verzekeringsarts voor appellant vastgestelde beperkingen onderschrijft en waarom de bezwaren van appellant gericht tegen deze vaststelling niet slagen. De stelling van appellant, dat hij, anders dan de verzekeringsartsen overwegen, vanuit de behandelend sector als leefregel heeft meegekregen dat hij zijn voet niet mag belasten en zo veel mogelijk rust moet geven om pijnklachten en dystrofische klachten te vermijden, is ook in hoger beroep niet onderbouwd met enig schrijven vanuit de behandelend sector.


4.2.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde FML, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de geselecteerde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht als geschikt dienen te worden aangemerkt. Daarbij merkt de Raad op dat blijkens de formulieren Resultaat functiebeoordeling de voetbelasting in de geselecteerde functies ruim binnen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid blijft.


4.3.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

9 maart 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) J.R. van Ravenstein




NW