Centrale Raad van Beroep, 20-01-2015 / 13-3603 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:77

Inhoudsindicatie
Aanvraag bijstand als dakloze terecht afgewezen. Door geen juiste of een onvolledige opgave te doen van zijn feitelijke verblijfplaats heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-20
Publicatiedatum
2015-01-22
Zaaknummer
13-3603 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3603 WWB

Datum uitspraak: 20 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2013, 13/1962 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.K. Uppal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Voor het college is verschenen mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 16 november 2012 gemeld bij de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam (DWI) voor een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft daarbij te kennen gegeven geen vaste verblijfplaats te hebben. Hij heeft een zogeheten 7-dagenformulier meegekregen waarop hij heeft ingevuld dat hij van 16 tot en met 22 november 2012 in zijn auto heeft geslapen. Nadien heeft hij op meerdere formulieren ingevuld dat hij vanaf 23 november 2012 verblijft op het adres van zijn ouders op de [Adres A.] in [woonplaats] (opgegeven adres). Zijn ouders willen niet dat hij zich daar inschrijft, maar hij mag daar wel tijdelijk verblijven.


1.2.

De DWI heeft een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellant verstrekte gegevens. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 januari 2013. In het kader van dit onderzoek zijn gegevens geraadpleegd in diverse registraties en is het dossier van appellant bestudeerd. Uit het onderzoek is gebleken dat appellant inderdaad niet staat ingeschreven op het opgegeven adres. Op 14 januari 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden met een handhavingsspecialist van de DWI. Appellant heeft desgevraagd een beschrijving gegeven van de kamer waar hij verblijft. Ook heeft hij verteld welke kleding hij bezit. De kleding bevindt zich volgens appellant in een kast op zijn slaapkamer en ook zijn administratie bevindt zich in zijn slaapkamer. Aansluitend aan het gesprek heeft de handhavingsspecialist, vergezeld van een collega, een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. Volgens het rapport van 17 januari 2013 werden in de slaapkamer slechts enkele kledingstukken aangetroffen op een stoel en werd geen administratie aangetroffen. De medewerkers van de DWI mochten van appellant niet in de kast kijken. In die kast zou volgens appellant de kleding van zijn vader liggen. Volgens het rapport is de situatie vervolgens geëscaleerd doordat appellant geagiteerd raakte. De medewerkers hebben het huisbezoek afgebroken en hebben de woning verlaten.


1.3.

Bij besluit van 21 januari 2013, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 8 april 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant onvolledige inlichtingen heeft verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit is gebaseerd op het feit dat de aangetroffen situatie in de bezochte kamer anders was dan volgens de eerder door appellant gegeven verklaring, op het hebben van weinig persoonlijke bezittingen en het ontbreken van een huissleutel.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat de rechtbank niet op alle door hem aangevoerde gronden is ingegaan. Appellant heeft uitgelegd waarom hij weinig kleding bezat en geen administratie had. De rechtbank leek die uitleg te accepteren maar heeft daar geen consequenties aan verbonden. Hij had weinig kleding omdat hij eigenlijk zwervend was en hij had geen administratie omdat die was weggegooid door zijn ex-echtgenote. De brieven van de DWI bewaarde hij in het dashboardkastje van zijn auto. Voorts heeft hij uitgelegd dat hij niet om een huissleutel heeft gevraagd omdat hij slechts tijdelijk op het opgegeven adres verbleef en hij zijn vader niet wilde belasten. Daar heeft de rechtbank niets over gezegd. Volgens appellant is de rechtbank buiten de omvang van het geding getreden door appellant aan te rekenen dat hij het onderzoek heeft belemmerd. Dat lag echter niet ten grondslag aan het bestreden besluit. Het college heeft in het bestreden besluit expliciet bevestigd dat de psychische toestand en de gedragingen van appellant niet de reden zijn van de afwijzing van de aanvraag.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voorop staat dat controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of iemand recht heeft op bijstand. Degene die bijstand aanvraagt dient deze gegevens te verstrekken.


4.2.

De verklaring van appellant dat hij weinig kleding bezat omdat hij eigenlijk een zwervend bestaan leidde is aannemelijk te achten. De rechtbank heeft dit ook expliciet zo benoemd. Gelet op de door appellant geschetste omstandigheid dat hij slechts tijdelijk bij zijn ouders verbleef kan het feit dat hij niet over een eigen huissleutel beschikte niet doorslaggevend zijn voor de afwijzing van de aanvraag. Dat de rechtbank hieraan geen aandacht heeft besteed betekent niet dat de aangevallen uitspraak onvoldoende is gemotiveerd. Het ontbreken van een eigen sleutel is voor de rechtbank immers slechts een klein onderdeel geweest in het geheel van omstandigheden op grond waarvan de rechtbank zich een oordeel heeft gevormd. Hoewel de verklaring van appellant over zijn kleine garderobe en de reden dat hij geen huissleutel had op zichzelf niet onaannemelijk zijn, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de gerechtvaardigde twijfel die het college op grond van het onderzoek kon hebben bij de vraag of appellant tijdelijk verbleef op het opgegeven adres door appellant niet is weggenomen. Appellant heeft tijdens het gesprek op 14 januari 2013 verklaard dat zijn kleding in de kast lag en dat ook zijn administratie zich in zijn slaapkamer zou bevinden. De bij het aansluitend aan het gesprek aangetroffen situatie kwam echter niet met die verklaring overeen. Op een stoel, en niet zoals verklaard in een kast, lagen enkele kledingstukken, maar dat was niet alle kleding die appellant had genoemd. Voorts deelde appellant tijdens het huisbezoek mee dat in de kast kleding van zijn vader lag. Administratie van appellant werd niet aangetroffen en zijn latere verklaring dat de brieven van de DWI in het dashboardkastje van zijn auto lagen is in strijd met zijn verklaring van 14 januari 2013.


4.4.

De beroepsgrond dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door appellant aan te rekenen dat hij het onderzoek heeft belemmerd treft geen doel. De rechtbank heeft de gedragingen van appellant weliswaar benoemd, maar de conclusie dat de bijstand terecht is geweigerd is gebaseerd op de gerechtvaardigde twijfel over de vraag of appellant feitelijk verbleef op het opgegeven adres.


4.5.

Het voorgaande betekent dat appellant, door geen juiste of een onvolledige opgave te doen van zijn feitelijke verblijfplaats, de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. Als gevolg daarvan heeft het college het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding niet kunnen vaststellen, zodat de aanvraag om bijstand als dakloze terecht met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de WWB is afgewezen.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2015.




(getekend) J.C.F. Talman




(getekend) T.A. Meijering





IJ