Centrale Raad van Beroep, 13-03-2015 / 13-5993 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:773

Inhoudsindicatie
Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen reden gezien voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellant onzorgvuldig is verricht of dat de beperkingen van appellant niet juist zijn weergegeven in de FML. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een juiste arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-13
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-5993 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR.nl 2015-0016
  • SZR-Updates.nl 2015-0016
Uitspraak

13/5993 WIA

Datum uitspraak: 13 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 26 september 2013, 13/2720 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien hebben partijen nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2015. Namens appellant is

mr. A.C.A. Wit, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als monteur Telecom voor 40 uur per week. Vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich op 17 november 2010 arbeidsongeschikt gemeld met psychische klachten.


1.2.

Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 15 oktober 2012 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 14 november 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA) is ontstaan, omdat hij op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 april 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard onder verwijzing naar een rapport van 10 april 2013 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 17 april 2013 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn medische conclusies gebaseerd op dossierstudie, waaronder de beschikbare informatie van de behandelende sector, en gegevens verkregen tijdens de hoorzitting. Appellant moet op de datum in geding in staat worden geacht arbeid te verrichten in overeenstemming met de voor hem vastgestelde belastbaarheid. Voorts is de rechtbank van oordeel dat in de arbeidskundige rapporten gelezen in samenhang met een rapport van 30 augustus 2013 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep genoegzaam is gemotiveerd dat appellant in staat kan worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn beperkingen, met name voor zover deze samenhangen met zijn psychische klachten van depressieve aard, heeft onderschat. Voorts heeft hij gesteld dat van verbetering van zijn medische situatie, zoals door de rechtbank is aangenomen, geen sprake is en dat onverminderd ernstige beperkingen ten gevolge van zijn geestelijke gezondheidstoestand moeten worden aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant onder meer verwezen naar een brief van 24 juni 2014 van behandelend psycholoog J. Collaert en een brief van 10 september 2014 van psychiater en psycholoog M.E. Yaktemur. Daarnaast heeft appellant gesteld dat vanwege beperkingen op de items 1.9.4 en 1.9.6 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) enkele geselecteerde functies ongeschikt zijn voor hem.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Evenals de rechtbank ziet de Raad geen reden gezien voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellant onzorgvuldig is verricht of dat de beperkingen van appellant niet juist zijn weergegeven in de FML, waarin onder meer in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) in verband met zijn psychische klachten van depressieve aard een aantal beperkingen is aangenomen. Van belang is dat appellant op het spreekuur van een verzekeringsarts is gezien en dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep de hoorzitting heeft bijgewoond, terwijl beide verzekeringsartsen bij de beoordeling informatie van de behandelende sector betrokken hebben. Verder bevatten de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelezen in hun onderlinge samenhang, een inzichtelijk gemotiveerde toereikende verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die appellant in bezwaar en in beroep in eerste aanleg naar voren heeft gebracht tegen de vastgestelde medische beperkingen. In bezwaar en beroep zijn geen medische feiten of gegevens naar voren gekomen die het oordeel met betrekking tot de beperkingen en mogelijkheden voor het verrichten van arbeid op de datum in geding doen wijzigen. Hetgeen de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, onderschrijft de Raad.


4.1.2.

Uit de in hoger beroep verstrekte informatie van 24 juni 2014 van Collaert en van

10 september 2014 van Yaktemur kan niet afgeleid worden dat de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld hadden van appellants medische situatie op de in het geding zijnde datum. Zoals in de reactie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 juli 2014 terecht is vermeld, bevat het rapport van Collaert, waarin melding wordt gemaakt van een dysthyme stoornis, slechts informatie over de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding die reeds bij die verzekeringsarts bekend was en die hij in zijn beoordeling heeft betrokken. In zijn commentaar van 16 oktober 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangevoerd dat hetgeen Yaktemur vermeldt over een mogelijke cognitieve stoornis van appellant, niet eerder ter sprake is gekomen en dat dit evenmin eerder is geconstateerd door Collaert en/of de betrokken verzekeringsartsen, zodat niet aannemelijk is dat deze stoornis relevant is voor de beoordeling van appellants medische beperkingen op de datum in geding. Ook overigens heeft die verzekeringsarts overtuigend beargumenteerd dat de informatie van Yaktemur, die eveneens spreekt van een dysthyme stoornis, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat in de FML onvoldoende beperkingen zijn opgenomen. Hetgeen appellant hiertegen heeft aangevoerd in een brief van 29 oktober 2014, vindt onvoldoende steun in de medische gegevens en geeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het verzekeringsgeneeskundig oordeel.


4.2.

Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een juiste arbeidskundige grondslag. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voorbeeldfuncties geselecteerd. Op afdoende wijze is gemotiveerd dat de belasting in drie van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Aan de hand van de mediane loonwaarde van die functies is met juistheid een mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld van 10,6%. De beroepsgrond van appellant dat hij vanwege beperkingen op de items 1.9.4 en 1.9.6 van de FML de geselecteerde functies waarin in open productieruimtes en/of met meerdere werknemers op één werkplek wordt gewerkt dan wel sprake is van omgevingslawaai, niet kan vervullen verwerpt de Raad. In een rapport van 30 augustus 2013 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de betekenis van deze items toegelicht en inzichtelijk gemotiveerd dat bij de geduide functies de belasting van appellant op deze punten niet wordt overschreden. In zijn commentaar van 16 januari 2014 heeft deze verzekeringsarts nog een nadere toelichting geven op de beoordelingspunten 1.9.4 en 1.9.6 van de FML. De Raad ziet geen aanleiding het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.


4.3.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op dit oordeel is er geen plaats voor het toekennen van schadevergoeding.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2015.



(getekend) H. van Leeuwen




(getekend) I. Mehagnoul





JL