Centrale Raad van Beroep, 13-03-2015 / 13-5922 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:774

Inhoudsindicatie
Beëindiging LAU, toekenning WGA-vervolguitkering. Aan het beroep van appellante op het gesprek met de arbeidsdeskundige in januari 2011 komt onvoldoende gewicht toe voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-13
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-5922 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR.nl 2015-0015
  • SZR-Updates.nl 2015-0015
Uitspraak

13/5922 WIA

Datum uitspraak: 13 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 september 2013, 13/2639 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 27 december 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 1 maart 2013 niet langer in aanmerking komt voor een loonaanvullingsuitkering (LAU) ingevolge de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA), maar wel voor een WGA-vervolguitkering.


1.2.

Bij besluit van 21 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 27 december 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv door per 1 maart 2013 de LAU te beëindigen en aan appellante een vervolguitkering toe te kennen op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 60 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank heeft het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel afgewezen, omdat niet is gebleken dat aan appellante ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan waaraan zij rechten zou kunnen ontlenen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat afwijking van een dwingendrechtelijke regeling als de voorliggende eerst dan tot de mogelijkheden behoort, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een dermate ernstige schending van een algemeen rechtsbeginsel of een algemeen beginsel van bestuur met zich brengen dat strikte toepassing van de regeling geen rechtsplicht meer kan zijn. Voor een doeltreffend beroep op het vertrouwensbeginsel is dan nodig dat sprake is van aan het bestuursorgaan toe te rekenen verwachtingen, die voor de betrokkenen nadeel hebben opgeleverd en bovendien gedragsbepalend zijn geweest. Het beroep van appellante kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot het gewenste resultaat leiden, nu niet is gebleken dat aan appellante ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan, waaraan zij rechten zou kunnen ontlenen.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij gedupeerd is door een haar niet te verwijten fout van het Uwv. Appellante heeft wederom aangevoerd dat een arbeidsdeskundige bij een telefonisch contact in januari 2011 tegen haar heeft gezegd dat zij in aanmerking kwam voor een uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat deze uitkering zou doorlopen tot het pensioen. Nadien heeft de arbeidsdeskundige dit gesprek volledig ontkend en appellante vraagt zich af in hoeverre mondelinge afspraken rechtsgeldig zijn.


3.2.

Het Uwv heeft in reactie op het hoger beroep van appellante gesteld dat op geen enkele wijze is gebleken van ondubbelzinnige, ongeclausuleerde en gedragsbepalende toezeggingen van de zijde van de medewerkers van het Uwv omtrent het recht of de hoogte van de aan appellante met ingang van 1 maart 2013 toekomende WIA-uitkering die aan de strikte toepassing van artikel 60 van de Wet WIA in de weg staan, en heeft de Raad daarom verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.


4.2.

Aan het beroep van appellante op het gesprek met de arbeidsdeskundige in januari 2011 komt onvoldoende gewicht toe voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel. Appellante kan het gesprek en de inhoud daarvan op geen enkele wijze staven, terwijl het Uwv stelt dat niet gebleken is dat een dergelijk gesprek heeft plaats gevonden. De enkele herinnering van appellante aan een dergelijk gesprek is onvoldoende basis om in rechte te kunnen aannemen dat geheel in strijd met de toepasselijke wettelijke bepalingen van de zijde van het Uwv aan appellante een stellige toezegging is gedaan dat de LAU tot aan het pensioen zou doorlopen.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2015.




(getekend) H. van Leeuwen




(getekend) I. Mehagnoul




IvR