Centrale Raad van Beroep, 20-01-2015 / 14-1711 WIJ


ECLI:NL:CRVB:2015:78

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering WIJ-inkomensvoorziening en bijstand. Feitelijk hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres. Schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-20
Publicatiedatum
2015-01-22
Zaaknummer
14-1711 WIJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2015/35
  • AB 2015/85 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
  • USZ 2015/70 met annotatie van Red.
Uitspraak

14/1711 WIJ

Datum uitspraak: 20 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

20 maart 2014, 13/5323 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek te Groenlo (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Balkema. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. te Spenke.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Het dagelijks bestuur heeft aan appellant met ingang van 12 januari 2011 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. De inkomensvoorziening is met ingang van 1 januari 2012 omgezet naar bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), eveneens naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft als zijn adres opgegeven [Adres A.] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres). Op dit adres staat hij sinds 2 november 2010 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven.


1.2.

In het kader van het project ‘waterproef’ heeft waterbedrijf Vitens aan het dagelijks bestuur de verbruiksgegevens van het uitkeringsadres beschikbaar gesteld. Hieruit is gebleken dat de meterstand op 2 november 2010 428 m³ (stand doorgegeven) , op 22 juli 2011 429 m³ (stand doorgegeven) en op 31 augustus 2012 431 m³ (stand geschat) bedroeg. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche Twente op verzoek van het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende inkomensvoorziening en bijstand (uitkeringen). In dit kader is onder meer dossieronderzoek verricht en zijn de gegevens van appellant in de GBA en de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. Verder is op

8 oktober 2012 geprobeerd een huisbezoek af te leggen op het uitkeringsadres, wat niet is gelukt. Op 26 november 2012 heeft de sociale recherche appellant verhoord. Na het verhoor heeft alsnog een huisbezoek plaatsgevonden op het uitkeringsadres. Tijdens dit huisbezoek is opnieuw de meterstand van het waterverbruik opgenomen, zijnde 438 m³. Hangende het onderzoek heeft het dagelijks bestuur de betaling van de bijstand van appellant per

1 november 2012 geblokkeerd. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 27 november 2012.


1.3.

Sinds 9 januari 2013 is appellant in de GBA ingeschreven op het adres [Adres B.] te [plaatsnaam 2].


1.4.

Bij besluit van 29 januari 2013 - voor zover van belang - heeft het dagelijks bestuur de uitkeringen van appellant met ingang van 12 januari 2011 ingetrokken en de vanaf deze datum aan appellant ten onrechte betaalde bedragen ter hoogte van in totaal € 26.191,26 bruto van hem teruggevorderd.


1.5.

Bij besluit van 4 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 januari 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 12 januari 2011 zijn feitelijk hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Hij heeft hiervan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding gedaan. Als gevolg hiervan is niet meer vast te stellen, of en zo ja, in welke mate hij recht heeft op de aan hem toegekende uitkeringen. Het dagelijks bestuur heeft de uitkeringen van appellant ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB en teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het dagelijks bestuur de intrekking van de uitkeringen ingaande 12 januari 2011 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode en dat in een dergelijk geval de beoordeling door de bestuursrechter de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit bestrijkt. Dat betekent volgens de rechtbank dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 12 januari 2011 tot en met 29 januari 2013. Appellant bestrijdt in hoger beroep niet meer dat hij vanaf 9 januari 2013 geen recht heeft op bijstand van het dagelijks bestuur. De te beoordelen periode kan daarom tot die datum worden beperkt.


4.2.

Appellant heeft betoogd dat de afbakening van de te beoordelen periode een relevante en inhoudelijke wijziging is en dat de rechtbank overwegingen had moeten wijden aan de vraag of het beroep gegrond is en of dit kan leiden tot een vergoeding van de proceskosten. Deze beroepsgrond slaagt niet. De afbakening van de door de bestuursrechter te beoordelen periode houdt geen wijziging van het bestreden besluit in.


4.3.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de intrekking en terugvordering van de uitkeringen volledig is geschied met toepassing van de wettelijke bepalingen van de WWB. Dit is volgens appellant onjuist omdat het voor wat betreft de periode van 12 januari 2011 tot 1 januari 2012 gaat om een inkomensvoorziening op grond van de WIJ. Appellant stelt zich op het standpunt dat op zijn minst onderzocht had moeten worden of de bepalingen van de WIJ en de WWB gelijkluidend zijn.


4.4.

Op 1 januari 2012 is in werking getreden de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de WWB en samenvoeging van die wet met de WIJ (Wijzigingswet WWB en WIJ, Stb. 2011, 650). Ingevolge artikel II van de wijzigingswet WWB en WIJ is de WIJ ingetrokken. Ingevolge artikel 78t, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling luidt sinds 1 januari 2012, gelden door het college op grond van de WIJ genomen besluiten als door hem genomen op grond van de WWB. Uit het ontbreken van nadere bepalingen van overgangsrecht voor de situatie dat het primaire besluit op of na 1 januari 2012 wordt genomen, maar betrekking heeft op een ingevolge de WIJ toegekende uitkering, volgt dat de wijziging van de WWB onmiddellijke werking heeft. Dit betekent dat het dagelijks bestuur de intrekking en terugvordering van de inkomensvoorziening ingevolge de WIJ terecht heeft gebaseerd op de artikelen 54 en 58 van de WWB. Hantering van deze bepalingen zou in strijd kunnen komen met de rechtszekerheid indien dit tot een voor de belanghebbende ongunstiger resultaat zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 21 april 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT4358) bij de overgang van de Algemene bijstandswet naar de WWB. Van een ongunstiger resultaat is hier echter geen sprake, omdat de artikelen 40 en 54 van de WIJ overeenkomen met respectievelijk de artikelen 54 en 58 van de WWB. Bij de beantwoording van de vervolgens aan de orde komende vraag hoe de in de artikelen 54 en 58 van de WWB neergelegde bevoegdheden worden gehanteerd, komt betekenis toe aan de zogenoemde temporele werking van wetgeving, waarin de rechten en verplichtingen van een belanghebbende centraal staan en die eveneens haar grondslag vindt in de rechtszekerheid. Dit betekent dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de rechten en verplichtingen betrekking hebben. Appellant heeft derhalve terecht aangevoerd dat in het bestreden besluit geen onderscheid is gemaakt tussen de periode dat de WIJ voor hem gold en de periode waarover de WWB van toepassing was. Nu appellant zowel op grond van artikel 44, eerste lid, van de WIJ als op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB verplicht was om aan het dagelijks bestuur de juiste informatie over zijn adres te verstrekken, kan het enkele feit dat dit onderscheid ontbreekt er evenwel niet toe leiden dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens schending van de motiveringsplicht zoals die is neergelegd in artikel 3:47, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu naar het oordeel van de Raad appellant daardoor niet in zijn belangen is geschaad, wordt aanleiding gezien om de schending van artikel 3:47, tweede lid, van de Awb met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.


4.5.

Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat het dagelijks bestuur niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het dagelijks bestuur had moeten aantonen dat appellant zijn woonstede heeft verplaatst. Appellant heeft ontkend dat dit het geval is. Hij was weliswaar vaak van huis in verband met zijn opleiding, zijn werk en de zorg voor zijn ouders, maar hij woonde wel degelijk op het uitkeringsadres. Hij heeft diverse verklaringen van buren overgelegd die dit volgens hem bevestigen.


4.6.

De vraag waar iemand zijn feitelijk woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige inlichtingen over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van een inkomensvoorziening en van bijstand.


4.7.

De rechtbank heeft voor de beantwoording van de vraag of appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden doorslaggevende betekenis toegekend aan de uit het onderzoek gebleken gegevens over het waterverbruik op het uitkeringsadres. Uit deze gegevens valt af te leiden dat over een periode van 25 maanden (november 2010 tot en met november 2012) een waterverbruik is gemeten van in totaal 10 m³, wat omgerekend een waterverbruik oplevert van afgerond 5 m³ per jaar. Op grond van die verbruikscijfers is de rechtbank, uitgaande van een gemiddeld waterverbruik van ongeveer 50 m³ per jaar per persoon, terecht tot de conclusie gekomen dat het waterverbruik in de woning van appellant extreem laag is geweest. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK8610) maakt een extreem laag waterverbruik het niet aannemelijk dat de betrokkene in de betreffende woning zijn hoofdverblijf heeft. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Appellant is hierin niet geslaagd. De door appellant overgelegde verklaring van een medewerker van een klusbedrijf dat een watermeter door vuil vast kan komen zitten leidt niet tot een ander oordeel, nu deze verklaring algemeen gesteld is en hieruit niet volgt dat de watermeter in de woning van appellant in de hier te beoordelen periode niet goed functioneerde.


4.8.

Appellant heeft aangevoerd dat niet is gekeken naar het gas- en elektriciteitsverbruik. Hij heeft erop gewezen dat uit de eindafrekening van Nuon over de periode van 9 mei 2012 tot

18 juni 2012 blijkt dat hij in die periode met zijn elektriciteitsgebruik van 212 Kwh op het gemiddelde zat en met zijn gasgebruik van 616 m³ zelfs boven het gemiddelde. Volgens de door appellant zelf aangeleverde informatie van het Nibud is het gemiddelde gasverbruik 900 m³ per jaar voor een flatwoning en is het gemiddelde verbruik van elektriciteit bij een eenpersoonshuishouden 2010 Kwh per jaar. Het elektriciteitsverbruik van appellant was in de periode van 9 mei 2012 tot 18 juni 2012 op grond van die cijfers inderdaad gemiddeld en het gasverbruik zelfs sterk bovengemiddeld. Nu deze gegevens betrekking hebben op slechts een zeer korte periode binnen de te beoordelen periode kan aan die gegevens weinig betekenis worden gehecht. Dit geldt temeer omdat blijkens de gegevens van de nieuwe energieleverancier Oxxio in de periode vanaf 19 juni 2012 tot 10 januari 2013 juist weer sprake was van een zeer laag verbruik, namelijk 34,96 m³ aan gas en 111 Kwh aan elektriciteit.


4.9.

Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat appellant tijdens zijn verhoor op 26 november 2012 zelf heeft verklaard dat hij gemiddeld twee à drie nachten per week in zijn eigen woning verblijft. Reeds hieruit volgt dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dat de woning wel was ingericht doet daar niet aan af. De verklaring van appellant over zijn situatie en de verklaringen van familieleden, vrienden en kennissen en de huisarts en tandarts van zijn ouders leiden niet tot een ander oordeel omdat de redenen waarom hij veelvuldig bij anderen verbleef niet van belang zijn. Ook aan de verklaringen van buren dat hij wel op het uitkeringsadres woonde kan niet de betekenis worden toegekend die appellant daaraan gehecht wil zien. De verklaringen zijn achteraf opgesteld en weinig specifiek over de periode waarop deze betrekking hebben. Voorts zijn die verklaringen, voor zover daaruit al afgeleid zou kunnen worden dat appellant zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, in strijd met de eigen verklaring van appellant. De vergelijking die appellant heeft gemaakt met een internationaal chauffeur die alleen in het weekend thuis is en toch woonplaats heeft in Nederland gaat niet op. Voor appellant bestond, anders dan voor een internationaal chauffeur, geen noodzaak om vanwege werk of scholing de hele week van huis te zijn.


4.10.

De in hoger beroep aangevoerde, niet toegelichte, grond dat het terugvorderingsbedrag niet inzichtelijk is, slaagt niet. Bij het besluit van 29 januari 2013 zijn inzichtelijk te achten berekeningen van het teruggevorderde bedrag gevoegd.


4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, deels met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van T. A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2015.




(getekend) J.C.F. Talman




De griffier is buiten staat te ondertekenen




ew