Centrale Raad van Beroep, 11-03-2015 / 13-2121 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:781

Inhoudsindicatie
Weigering uitkering ingevolge de Ziektewet. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat er tussen 30 november 2011 en 2 december 2011 geen nieuw medisch feitencomplex is ontstaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-11
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-2121 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2121 ZW

Datum uitspraak: 11 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

20 maart 2013, 12/1919 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich, na eerdere ziekmeldingen op grond van dezelfde oorzaak, vanuit een situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, op

26 oktober 2011 ziek gemeld wegens klachten verband houdende met de ziekte van Lyme. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 23 november 2011 per 30 november 2011 hersteld verklaard. Het tegen dat besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van

28 februari 2012 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is geen beroep ingesteld.


1.2.

Inmiddels had appellante zich op 9 december 2011 weer ziek gemeld, welke melding door het Uwv is opgevat als een ziekmelding met ingang van 1 december 2011. Bij besluit van 21 mei 2012 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 2 december 2011 uitkering ingevolge de Ziektewet te verstrekken.


1.3.

Bij besluit van 6 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 21 mei 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante onderzocht is door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat rekening is gehouden met de informatie van de behandelde artsen, namelijk de huisarts, de neuroloog, de reumatoloog, en de revalidatiearts. Er is geen sprake van andere medische feiten of omstandigheden dan die bekend waren ten tijde van het besluit waarbij appellante per 30 november 2011 arbeidsgeschikt werd bevonden.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij per 2 december 2011 arbeidsongeschikt was. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij diverse rapporten van haar medische en paramedische behandelaars overgelegd.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het Uwv heeft de nieuwe ziekmelding van appellante beoordeeld in het kader van de hersteldmelding per 30 november 2011. Appellante is niet kort na 2 december 2011 gezien door een verzekeringsarts, maar pas op 5 januari 2012 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep G. Durlinger in het kader van de bezwaarprocedure tegen de hersteldverklaring per

30 november 2011. In zijn rapport van 26 februari 2012 concludeert Durlinger dat appellante per 30 november 2011 in staat was haar maatgevende functie van peuterleidster te verrichten. Mede op basis van dat rapport is het besluit van 21 mei 2012 genomen. In de bezwaarfase is appellante op 27 juni 2012 onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep

J.J.J. Hagenbeek, die in zijn rapport van 31 juli 2012 tot de conclusie komt dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Vervolgens heeft het Uwv het bestreden besluit genomen.


4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat er tussen

30 november 2011 en 2 december 2011 geen nieuw medisch feitencomplex is ontstaan. Appellante, zo is ook ter zitting van de Raad gebleken, acht zich na 30 november 2011 doorlopend arbeidsongeschikt op grond van klachten verband houdend met de ziekte van Lyme. In die zin is de nieuwe ziekmelding per 1 december 2011 niet meer dan een herhaald wijzen op een reeds bekend samenstel van feiten. Ook in hoger beroep is niet gebleken van nieuwe medische feiten of omstandigheden na 30 november 2011, die zouden moeten leiden tot het oordeel dat appellante kort na die datum wel arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Onderkend wordt dat appellante een veelheid aan klachten heeft, waarvoor zij de afgelopen jaren ook is behandeld. Maar de gedingstukken bevatten geen medische rapporten die die klachten objectief-medisch gezien onderbouwen. Er worden geen afwijkingen geconstateerd. De gestelde diagnoses (de ziekte van Lyme in 2010 en fibromyalgie in 2012) leiden op zich niet tot het aannemen van arbeidsongeschiktheid, omdat de enkele diagnose in een geval als dit niet meebrengt dat beperkingen worden aangenomen dan wel wat die beperkingen zouden moeten zijn.


4.3.

Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Bij deze uitkomst is er geen reden voor een veroordeling tot schadevergoeding.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot veroordeling tot schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) V. van Rij




HD