Centrale Raad van Beroep, 25-02-2015 / 13-2210 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:782

Inhoudsindicatie
Eind 2011 heeft appellante het college verzocht haar op grond van de Wmo in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening bestaande uit de aanpassing van een nieuwe auto. Het college heeft aan appellante een bewijsstuk gevraagd waaruit blijkt dat haar huidige vervoersvoorziening (uit maart 1999) niet meer adequaat is. Het college heeft de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling gelaten op de grond dat appellante de gevraagde informatie niet binnen de (verlengde) termijn heeft verstrekt. Onder verwijzing naar ECLI:NL:CRVB:1999:AJ9579 oordeelt de Raad dat het college in dit geval ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Het verzoek van het college aan appellante is niet duidelijk en heeft geen betrekking op concrete objectieve gegevens waarover appellante beschikt of waarover derden de beschikking zouden hebben. Bovendien is er geen sprake van de situatie dat de aanvraag zonder het gevraagde bewijsstuk onvoldoende was om deze inhoudelijk te kunnen beoordelen. Het beoordelen van de noodzaak van de gevraagde voorziening is immers een - inhoudelijke - taak die op het college rust. Bij zijn onderzoek moet het college overigens, gelet op het bepaalde in artikel 1.1, derde lid, aanhef en onder i, van zijn Verordening de normale afschrijvingstermijn betrekken van de eerder verstrekte voorziening. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit wordt vernietigd, opdracht aan college om binnen 8 weken een nieuwe inhoudelijke beslissing te nemen en veroordeling in de proceskosten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-03-16
Zaaknummer
13-2210 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/130
  • JWWB 2015/74
  • USZ 2015/131
Uitspraak

13/2210 WMO

Datum uitspraak: 25 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

20 maart 2013, 12/1298 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Voorst (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van den Os hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot] en mr. Van den Os. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Singel.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, geboren [in] 1963, is sinds haar geboorte bekend met de ziekte focomelie, ten gevolge waarvan sprake is van een verkorting of het ontbreken van ledematen. In 1998 heeft het college aan appellante met toepassing van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Voorst een financiële tegemoetkoming verstrekt in de kosten van aanpassing van de eigen auto. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is na ontvangst van de offerte van de te plegen aanpassingen in maart 1999 bepaald op fl. 70.928,88.


1.2.

Op 27 december 2011 heeft appellante het college verzocht haar op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in aanmerking te brengen voor onder meer een vervoersvoorziening bestaande uit de aanpassing van een nieuwe auto.


1.3.

In het kader van de behandeling van deze aanvraag heeft het college in een brief van

6 januari 2012 aan appellante een bewijsstuk gevraagd waaruit blijkt dat haar huidige vervoersvoorziening niet meer adequaat is en haar in de gelegenheid gesteld uiterlijk

27 januari 2012 het gevraagde bewijsstuk in te leveren. Daarbij heeft het college appellante erop gewezen dat zij hiermee voorkomt dat het college haar aanvraag niet verder in behandeling neemt.


1.4.

Naar aanleiding van een telefonisch verzoek daartoe van de echtgenoot van appellante op 12 januari 2012 heeft het college de termijn om het gevraagde bewijsstuk over te leggen verlengd tot 2 maart 2012.


1.5.

Het college heeft in een besluit van 5 maart 2012 de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten op de grond dat appellante de gevraagde informatie niet binnen de tot 2 maart 2012 verlengde termijn heeft verstrekt. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.


1.6.

Het college heeft in een besluit van 25 juli 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het standpunt van appellante dat niet duidelijk was welk bewijsstuk het college wenste te ontvangen, heeft het college overwogen dat in redelijkheid verondersteld mag worden dat begrepen kan worden dat het gevraagde bewijsstuk een document betreft opgesteld door een ter zake deskundig persoon. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.


2.1.

In beroep bij de rechtbank heeft appellante een verklaring van 15 maart 2012 overgelegd van [X.], verbonden aan [naam B.V.]. [X.] stelt in deze verklaring onder meer dat de door het bedrijf in 2000/2001 aan de auto van appellant aangebrachte aanpassingen net als de inmiddels 16 jaar oude auto aan slijtage onderhevig zijn.


2.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft gesteld dat voor haar onduidelijk was welk bewijsstuk het college nu precies verlangde. Zij heeft herhaald dat in het telefoongesprek van 12 januari 2012 niet alleen de termijn verlengd is met vijf weken tot 2 maart 2012, maar dat haar in dat gesprek ook is toegezegd dat de mogelijkheid bestond deze termijn nogmaals te verlengen. Het college had appellante daarom na verlenging van de termijn tot 2 maart 2012 schriftelijk erop moeten wijzen dat overschrijding van de termijn zou leiden tot toepassing van artikel 4:5 van de Awb.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, onder de voorwaarde dat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Zoals de Raad al heeft overwogen in zijn uitspraak van 19 oktober 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AJ9579, gaat het gezien de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag om het niet hebben voldaan aan de procedurele of formele vereisten voor het indienen van een aanvraag of om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op art. 4:2, tweede lid, van de Awb om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Het college heeft in dit geval ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Het verzoek van het college aan appellante is niet duidelijk en heeft geen betrekking op concrete objectieve gegevens waarover appellante beschikt of waarover derden de beschikking zouden hebben. Bovendien is er geen sprake van de situatie dat de aanvraag zonder het gevraagde bewijsstuk onvoldoende was om deze inhoudelijk te kunnen beoordelen. Het beoordelen van de noodzaak van de gevraagde voorziening is immers een

- inhoudelijke - taak die op het college rust. Bij zijn onderzoek moet het college overigens, gelet op het bepaalde in artikel 1.1, derde lid, aanhef en onder i, van zijn Verordening de normale afschrijvingstermijn betrekken van de eerder verstrekte voorziening. In die bepaling is immers neergelegd dat geen voorziening wordt toegekend als een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Voorst is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken. Dit tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.


4.3.

Wat hiervoor is overwogen betekent dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Toepassing van een zogeheten bestuurlijke lus acht de Raad niet aangewezen, omdat het college nog niet inhoudelijk op de aanvraag heeft beslist en niet een inhoudelijk standpunt ten aanzien van de ingebrachte bezwaren heeft ingenomen. De Raad geeft het college daarom opdracht om een nieuwe inhoudelijke beslissing te nemen op de bezwaren van appellante tegen het besluit van 5 maart 2012 en wel binnen een termijn van acht weken.


4.4.

Omdat het college een nieuw besluit moet nemen en nu niet duidelijk is wat de inhoud daarvan zal zijn, is er geen sprake van schade.


5. Er is aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 juli 2012;

- draagt het college op binnen acht weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak

een nieuwe beslissing op de bezwaren tegen het besluit van 5 maart 2012 te nemen met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015.



(getekend) A.J. Schaap




(getekend) V. van Rij




CVG