Centrale Raad van Beroep, 04-03-2015 / 13-3853 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:783

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat (de verzekeringsartsen van) het Uwv voldoende zorgvuldig en gemotiveerd tot de conclusie zijn gekomen, onder meer in het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante haar werkzaamheden als medewerkster rozenkwekerij kon verrichten. Nu appellante per 30 juli 2012 in het kader van de ZW in staat wordt geacht haar werkzaamheden te verrichten onderschrijft de Raad tevens het oordeel van de rechtbank dat appellante de wachttijd als bedoel in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA niet heeft volgemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-04
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-3853 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3853 ZW, 13/3854 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

19 juni 2013, 12/9894 en 13/1297 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn de gronden aangevuld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2014. Namens appellante is mr. Van Es verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bӓr.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 23 juli 2012 heeft het Uwv het recht van appellante op uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 30 juli 2012 beëindigd.


1.2.

Bij besluit van 12 september 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juli 2012 ongegrond verklaard.


1.3.

Bij besluit van 26 juli 2012 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 19 september 2012 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.


1.4.

Bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juli 2012 ongegrond verklaard.


2.1.

Appellante heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraken van 19 juni 2013 het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe in de ZW-zaak overwogen dat het Uwv in beroep voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat appellante per

30 juli 2012 in staat was de werkzaamheden behorende bij de functie van medewerkster rozenkwekerij te verrichten. Nu zij daartoe op die datum in staat moet worden geacht verklaart de rechtbank het beroep in de WIA-zaak ongegrond, aangezien appellante de wachttijd als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA niet heeft volgemaakt.


2.2.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij vanwege haar lichamelijke en psychische klachten per 30 juli 2012 niet in staat was de functie van medewerkster rozenkwekerij te vervullen. Zij heeft er daarbij op gewezen dat zij, toen zij nog in haar functie werkzaam was, regelmatig kratten, gevuld met water, moest tillen, die wel 15 kilo wogen. Appellante is van oordeel dat zij daartoe niet in staat is.


3.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.


3.2.

Appellante is voorheen werkzaam geweest als medewerkster in een rozenkwekerij. Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet heeft zij zich (laatstelijk), onder meer vanwege ernstige heupklachten, op 22 september 2010 ziek gemeld, waarna zij ziekengeld heeft genoten. Op 26 oktober 2011 is appellante geopereerd aan haar linkerheup. Bij bestreden besluit 1 heeft het Uwv appellante per 30 juli 2012 weer geschikt geacht voor de werkzaamheden in een rozenkwekerij. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat, gelet op artikel 19, vijfde lid, van de ZW, in deze als maatstaf voor het begrip arbeid dient te gelden de arbeid als medewerkster rozenkwekerij, verricht bij soortgelijke werkgevers. Daarbij dienen bijzondere verzwarende aspecten van de daadwerkelijk verrichte functie buiten beschouwing te worden gelaten (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672). Appellante heeft via een uitzendbureau haar werkzaamheden als medewerkster rozenkwekerij verricht van

2 juli 2007 tot 1 maart 2010. Bij de voorbereiding van bestreden besluit 1 heeft het Uwv getracht een beeld te krijgen van die werkzaamheden. Dat is slechts ten dele gelukt omdat de betreffende rozenkwekerij niet meer bestaat. Er is wel contact geweest met een medewerker van het uitzendbureau die onder meer heeft medegedeeld dat de werkzaamheden staand werden uitgeoefend en dat het te tillen gewicht ongeveer 50 gram bedroeg. Op verzoek van de rechtbank heeft het Uwv bij twee andere rozenkwekerijen geïnformeerd naar de aard van de werkzaamheden. Dat onderzoek heeft geresulteerd in een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 februari 2013, nadien aangevuld met een rapport van 8 mei 2013. Uit dat rapport blijkt dat de werkzaamheden bij die rozenkwekerijen niet (mede) betreffen het tillen van gewichten tot 15 kilo. Het gaat maximaal om 4,5 kilo. De Raad onderschrijft, gelet op dit rapport, het oordeel van de rechtbank dat, mede gelet op artikel 19, vijfde lid, van de ZW, voor de in deze te hanteren maatstaf voor het begrip arbeid uitgegaan dient te worden van een medewerkster in een rozenkwekerij, die maximaal 4,5 kilo moet tillen.


3.3.

De Raad onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank dat (de verzekeringsartsen van) het Uwv voldoende zorgvuldig en gemotiveerd tot de conclusie zijn gekomen, onder meer in het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep Blanker van 16 januari 2013, dat appellante haar werkzaamheden als medewerkster rozenkwekerij op de in geding zijnde datum kon verrichten. De lichamelijke en psychische beperkingen van appellante zijn voldoende in acht genomen.


3.4.

Nu appellante per 30 juli 2012 in het kader van de ZW in staat wordt geacht haar werkzaamheden te verrichten onderschrijft de Raad tevens het oordeel van de rechtbank dat appellante de wachttijd als bedoel in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA niet heeft volgemaakt.


3.5.

Uit hetgeen is overwogen in 3.2 tot en met 3.4 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. Bij deze uitkomst is er geen ruimte voor een veroordeling tot schadevergoeding.


3.6.

De rechtbank heeft in de zaak met nummer 13/3853 ZW het beroep gegrond verklaard, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft echter verzuimd het bestreden besluit te vernietigen. Het betreft hier een kennelijke omissie. De Raad zal het betreffende besluit alsnog vernietigen.


4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- vernietigt het besluit van 12 september 2012;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) K. de Jong






NK