Centrale Raad van Beroep, 11-03-2015 / 13-4828 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:788

Inhoudsindicatie
Beëidinging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-11
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-4828 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4828 ZW

Datum uitspraak: 11 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

22 juli 2013, 13/418 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. Koning hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam als toetsafnemer/docent bij een ROC voor 28 uur per week. Voor deze werkzaamheden is zij op 30 juni 2010 uitgevallen wegens psychische klachten. Met ingang van 10 juli 2010 is het dienstverband van appellante beëindigd en is aan haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Het Uwv heeft de ZW-uitkering van appellante per 14 februari 2011 beëindigd. Hiertegen heeft appellante geen bezwaar gemaakt.


1.2.

Appellante heeft zich op 11 april 2011, vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld vanwege menstruatieklachten, waarvoor op 20 april 2011 een operatie heeft plaatsgevonden. Daarnaast was sprake van staar aan het linkeroog alsmede arm- en beenklachten als gevolg van artrose. Aan appellante is een uitkering op grond van de ZW toegekend.


1.3.

Bij besluit van 7 november 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van

10 november 2012 beëindigd omdat appellante met ingang van die datum weer geschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 8 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 november 2012 ongegrond verklaard.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Allereerst heeft de rechtbank, kort samengevat, geoordeeld dat het Uwv bij de beoordeling van de juiste maatstaf arbeid is uitgegaan. Het Uwv heeft in bezwaar nader onderzoek verricht naar de maatstaf. Uit de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 december 2012 en 19 juni 2013, waarin een omschrijving is gegeven van de verrichte werkzaamheden, komt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk naar voren dat als maatstaf is uitgegaan van de combinatie van werkzaamheden als toetser (inburgering) en docent (sociale activering).


2.2.

De rechtbank heeft verder overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen hebben bij hun onderzoek dossierstudie verricht, appellante meerdere malen op het spreekuur gezien en gesproken, en ook de informatie van de fysiotherapeut is bij de beoordeling betrokken. De rechtbank acht het niet onzorgvuldig dat geen informatie bij de behandelend sector is opgevraagd. Zij kan zich vinden in hetgeen de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover heeft opgemerkt in haar rapport van

25 juni 2013. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd in twijfel te trekken. Appellante heeft medische beperkingen, maar niet gebleken is dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellante te licht hebben ingeschat. De rechtbank onderschrijft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals neergelegd in zijn rapport van 4 januari 2013, dat de slijtageklachten van armen en knieën van appellante niet dusdanig ernstig zijn dat zij daarmee haar arbeid als docent en toetsafnemer niet zou kunnen verrichten. Appellante heeft niet met objectieve gegevens onderbouwd dat haar klachten zodanig zijn dat zij daarmee niet in staat is om arbeid te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

25 juni 2013 voldoende onderbouwd waarom de in beroep overgelegde informatie haar geen aanleiding geeft tot het innemen van een ander standpunt. De ter zitting overgelegde ongedateerde brief van de huisarts en de brief van de fysiotherapeut van 17 juni 2013 vormen voor de rechtbank evenmin aanleiding om een ander standpunt in te nemen, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep zowel de arm- als de knieklachten van appellante in de beoordeling heeft betrokken. Dat de rechterarmklachten thans worden gekwalificeerd als een tenniselleboog maakt dit niet anders.


3. In hoger beroep heeft appellante dat wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd gehandhaafd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt, ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft, onder ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden verstaan de ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.


4.2.

Nu de gronden in hoger beroep in essentie gelijk zijn aan de gronden zoals die in bezwaar en beroep naar voren zijn gebracht, is er geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen dan de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante uitvoerig besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen.


4.3.

Het enkele feit dat geen lichamelijk onderzoek is verricht, betekent in dit geval niet dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Hierbij is van belang dat appellante meermalen op een spreekuur van een arts is gezien, een aantal keer telefonisch contact heeft plaatsgevonden met appellante en informatie van de fysiotherapeut M. Huisman van 6 april 2012 en 16 augustus 2012 voorhanden was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van de dossiergegevens, waaronder het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 december 2012, en het verslag van het telefonisch contact tussen de medewerker bezwaar en beroep en appellante. Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder gegevens van de fysiotherapeut, alsmede de verklaringen van appellante zelf, hebben de artsen van het Uwv kunnen concluderen dat de klachten en beperkingen van appellante niet dusdanig ernstig zijn dat ze hiermee haar eigen werk niet zou kunnen verrichten. Nu appellante in hoger beroep geen nadere medische gegevens heeft ingebracht die reden vormen om de conclusies van de artsen van het Uwv in twijfel te trekken, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen.


4.4.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Hieruit volgt dat het verzoek om veroordeling van schade, bestaande uit de wettelijke rente, moet worden afgewezen.


5. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A.I. van der Kris en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015.



(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) B. Fotchind




TM