Centrale Raad van Beroep, 10-03-2015 / 13-4117 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:794

Inhoudsindicatie
Intrekking, herziening en terugvordering bijstand. Het college heeft terecht het standpunt ingenomen dat appellanten gedurende de perioden waarin zij het PGB hebben ontvangen daarmee feitelijk beschikten over middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Gelet ook op de periodieke uitbetaling van het PGB zijn deze middelen gelijk te stellen met inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
13-4117 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4117 WWB, 13/4118 WWB

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juli 2013, 13/1625 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel. Appellant en mr. Van Andel zijn tevens namens appellante verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 31 oktober 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Het college heeft appellant ten tijde hier van belang ontheffing verleend van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde arbeidsverplichtingen, omdat hij het gehele huishouden doet, appellante volledig verzorgt en appellanten geen thuiszorg hebben.


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 27 december 2011 heeft het team Handhaving van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellanten. In dat kader is dossieronderzoek verricht, informatie ingewonnen bij instanties en hebben gesprekken plaatsgevonden met appellant. Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat appellante een Persoonsgebonden budget (PGB) ontvangt op een op haar naam staande bankrekening. Appellante ontvangt dit PGB als budgethouder en zij dient daarmee zorg in te kopen. Van de bankrekening van appellante zijn periodiek grote bedragen, oplopend tot € 6.000,-, contant opgenomen. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 augustus 2012.


1.3.

De onderzoeksbevindingen waren voor het college aanleiding om bij besluit van

22 oktober 2012 de bijstand van appellanten met ingang van 7 juli 2011 in te trekken. Het college heeft verder de bijstand ingetrokken over de periode van 16 december 2008 tot en met 20 juli 2009 en over de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 mei 2011. Het college heeft bij dat besluit tevens de over die perioden gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 40.093,51. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellanten inkomsten hebben genoten waarmee in de kosten van het bestaan kon worden voorzien zonder dit aan het college te hebben doorgegeven.


1.4.

Bij de beslissing op bezwaar van 4 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 22 oktober 2012 herroepen, en de bijstand ingetrokken over de maanden waarin de PGB-gelden de toepasselijke bijstandsnorm overtroffen en herzien in de maanden waarin het ontvangen bedrag aan PGB-gelden lager was dan de toepasselijke bijstandsnorm. Het college heeft de terugvordering nader vastgesteld op een bedrag van € 17.112,76 (bruto).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet in geschil is dat aan appellante een PGB is toegekend en dat het PGB door het Zorgkantoor werd overgemaakt naar een op naam van appellante staande bankrekening. Appellanten hebben dit niet aan het college gemeld. Anders dan zij in hoger beroep wederom hebben betoogd, had het appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de toekenning van het PGB van invloed kon zijn op het recht op bijstand. De omstandigheden dat de zoon van appellanten alles regelde, maakt dit niet anders. Door hiervan geen mededeling te doen aan het college hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.


4.2.

De in hoger beroep herhaalde beroepsgrond dat de bijstand ten onrechte deels is herzien en deels is ingetrokken omdat zij geen inkomsten hebben genoten, slaagt niet. Met de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat appellanten het PGB niet deugdelijk hebben verantwoord. Appellanten hebben verklaard dat het PGB contant is uitbetaald aan de zoon en schoondochter van appellanten, omdat zij de zorg aan appellante verleenden. Appellanten hebben echter geen deugdelijke en controleerbare gegevens verstrekt waaruit blijkt dat de PGB-gelden daadwerkelijk zijn uitbetaald aan de door appellanten genoemde zorgverleners en dat de zoon en schoondochter de zorg aan appellante hebben verleend. Aan de omstandigheid dat het Zorgkantoor de verantwoordingsformulieren van het verstrekte PGB heeft geaccepteerd, wordt geen doorslaggevende betekenis gehecht, omdat die formulieren geen verifieerbare gegevens bevatten. Uit het in 1.2 genoemde rapport blijkt dat het college bij het Zorgkantoor daarnaar heeft geïnformeerd, maar dat een verantwoording van de zorguren ontbreekt en dat het Zorgkantoor geen controle heeft uitgevoerd. De Raad kan er in dit verband verder niet aan voorbij gaan dat appellant op 30 september 2011 heeft verklaard dat hij appellante volledig verzorgt en dat alleen een wijkverpleegkundige twee uur per week helpt. Op 24 juli 2012 heeft appellant nogmaals verklaard dat hij 24 uur per dag voor zijn vrouw zorgt en dat hij niet weet wie de zorgverleners zijn.


4.3.

Nu het PGB werd overgemaakt naar een op naam van appellante staande bankrekening konden appellanten feitelijk daarover beschikken, terwijl zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat het PGB is aangewend voor betaling van de verleende zorg door hun zoon en schoondochter. Het college heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat appellanten gedurende de perioden waarin zij het PGB hebben ontvangen daarmee feitelijk beschikten over middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Gelet ook op de periodieke uitbetaling van het PGB zijn deze middelen gelijk te stellen met inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en A.M. Overbeeke en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD