Centrale Raad van Beroep, 17-03-2015 / 13-2429 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:795

Inhoudsindicatie
Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Hennepteelt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-2429 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2429 WWB

Datum uitspraak: 17 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 maart 2013, 12/3510 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A. van der Waal hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Waal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris. Ter zitting is vastgesteld dat een pagina van het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank ontbreekt, in verband hiermee heeft de Raad het onderzoek ter zitting geschorst. De Raad heeft het proces-verbaal opgevraagd en aan partijen doen toekomen. Appellant heeft een reactie op het proces-verbaal aan de Raad gezonden. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt sinds 12 april 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), thans Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.


1.2.

Op 9 september 2011 heeft de politie in een winkelpand dat door appellant werd gehuurd aan [Adres A] te [woonplaats] (adres) een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Appellant was in het pand aanwezig en is aangehouden. De politie heeft appellant op 9 en 10 september 2011 verhoord. De door appellant afgelegde verklaringen zijn opgenomen in processen-verbaal. Een en ander is voor het college aanleiding geweest om een onderzoek te doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft dit onderzoek uitgevoerd en daartoe dossieronderzoek verricht en appellant op

7 november 2011 nogmaals verhoord. Deze verklaring is eveneens vastgelegd in een proces-verbaal. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 10 november 2011. Daarin is onder meer gerapporteerd dat appellant sinds 2002 huurder is van het pand op het adres en dat op 9 september 2011 op het adres 402 hennepplanten, 222 net geoogste hennepplanten en 25 kilo henneptoppen in beslag zijn genomen.


1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gevonden om bij besluit van

27 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 juni 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode van 12 april 2010 tot en met 9 september 2011 (te beoordelen periode) te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand, na verrekening met appellant nog toekomend vakantiegeld, tot een bedrag van

€ 19.253,86 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de aanwezigheid van een hennepkwekerij in een door hem gehuurd pand niet heeft gemeld. Deze activiteiten worden als een bron van inkomsten aangemerkt. Appellant heeft geen boekhouding, resultatenrekening of andere administratie getoond waaruit de hoogte van de inkomsten uit de hennepteelt blijkt. Hierdoor kan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de stelling van appellant dat hij het bedrijfspand had onderverhuurd aan een persoon die min of meer gedwongen werd om het bedrijfspand ter beschikking te stellen om er een hennepkwekerij te exploiteren niet ongeloofwaardig is, maar dat vaststaat dat appellant in de te beoordelen periode in ieder geval inkomsten had uit de onderverhuur van zijn bedrijfspand. Nu appellant geen concrete en verifieerbare gegevens heeft overgelegd met betrekking tot de hoogte van de ontvangen huur voor het bedrijfspand, is niet vast te stellen of over de te beoordelen periode recht op bijstand bestond.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet de eigenaar was van de hennepkwekerij en dat hij, als gevolg van zijn verslavingsproblematiek zowel fysiek als mentaal niet in staat was om een hennepplantage te exploiteren. Verder stelt appellant dat hij in maart 2011, toen hij de huur van de bedrijfsruimte wilde beëindigen, heeft ontdekt dat er hennep werd gekweekt in het pand en dat hij heeft getracht aan deze activiteiten een einde te maken. Appellant is van mening dat er geen, dan wel onvoldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat er over de gehele te beoordelen periode sprake is van oncontroleerbare inkomsten.


3.2.

Het college heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad stelt eerst - ambtshalve - vast dat de rechtbank het bestreden besluit heeft beoordeeld op grond van een andere feitelijke grondslag dan door het college ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit. Het college heeft immers niet oncontroleerbare inkomsten uit verhuur van het pand op het adres ten grondslag gelegd, maar inkomsten en activiteiten in verband met de in werking zijnde hennepkwekerij, waarbij het ging om planten van appellant. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld uitspraak van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8706) mag de bestuursrechter niet in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreiden. De Raad ziet daarom aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.


4.2.

Ter beoordeling ligt voor of er een toereikende grondslag is voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de activiteiten voor en inkomsten uit de hennepkwekerij, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.4.

Het college heeft het standpunt dat over de in geding zijnde periode sprake is geweest van activiteiten voor en oncontroleerbare inkomsten uit hennepteelt gebaseerd het rapport uitkeringsfraude van 10 november 2011. Tijdens de onder 1.2 genoemde verhoren heeft appellant onder meer verklaard dat hij wiet kweekt en dat doet om uit de schulden te komen en iets leuks te gaan doen. Hij is de enige die de sleutel heeft tot het pand. Hij heeft uitdrukkelijk ontkend dat anderen betrokken zijn bij de kwekerij. Hij heeft wel hulp van anderen gehad met knippen, welke personen hij betaald heeft. Later heeft hij verklaard dat onder druk is gezet om de plantage te houden en de schuld op zich te nemen, dat de kwekerij niet van hem was, en dat hij er niets voor kreeg. Uit deze verklaringen en de omstandigheid dat appellant in de kwekerij is aangetroffen en ieder geval heeft bijgedragen aan (betaling van) het zogenoemde knippen, staat de betrokkenheid van appellant bij deze kwekerij vast. Deze activiteiten zijn van belang voor het recht op bijstand. Appellant had deze moeten melden en door dat niet te doen heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat appellant, zoals hij stelt, geen inkomsten heeft ontvangen, maakt dit niet anders, omdat het gaat om op geld waardeerbare arbeid waarvoor een vergoeding gebruikelijk is en bedongen kan worden. In zoverre faalt het beroep.


4.5.

Appellant heeft bij het verhoor op 10 september 2011 verklaard dat hij denkt dat er sinds een jaar hennep wordt geteeld in het pand op het adres. Op grond van deze verklaring kan worden geconcludeerd dat appellant vanaf 10 september 2010 activiteiten heeft verricht voor een hennepkwekerij in het door appellant gehuurde bedrijfspand. Het rapport van

20 november 2011 biedt echter geen basis voor betrokkenheid van appellant bij de hennepkwekerij vóór die datum. Het enkele feit dat appellant het pand huurde is daartoe onvoldoende.


4.6.

Uit 4.5 volgt dat het college niet bevoegd was de bijstand van appellant over de periode van 12 april 2010 tot 10 september 2010 in te trekken. Daarmee is tevens gegeven dat het college niet bevoegd was de bijstand over de periode van 12 april 2010 tot en met

9 september 2011 van appellant terug te vorderen. Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wat betreft de intrekking in zoverre, wat betreft de terugvordering nu die ondeelbaar is, geheel, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.


4.7.

Aansluitend wordt bezien of definitieve geschillenbeslechting mogelijk is. Gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting is onaannemelijk dat nader onderzoek door het college de feitelijke grondslag zal opleveren voor betrokkenheid van appellant bij de kwekerij voor

10 september 2010. Gelet hierop zal de Raad het besluit van 27 maart 2012 herroepen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 12 april 2010 tot

10 september 2010. Ten aanzien van de terugvordering zal het college worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu dat slechts nog een financiële uitwerking betreft, is de toepassing van een bestuurlijke lus niet aangewezen.


5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 980,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 5 juni 2012 voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 12 april 2010 tot 10 september 2010 en voor zover het ziet op de terugvordering;
  • - herroept het besluit van 27 maart 2012 voor zover het ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 12 april 2010 tot 10 september 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • - draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van
  • - 27 maart 2012 voor zover dat ziet op de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;
  • - veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;
  • - bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) S.W. Munneke






MK