Centrale Raad van Beroep, 17-03-2015 / 13-6961 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:797

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten. Dat appellant heeft verklaard dat appellante en hij hiervoor geen beloning hebben ontvangen en dat zij hun zoon slechts hielpen maakt dat niet anders, nu voor dergelijke werkzaamheden normaal gesproken inkomsten worden ontvangen of kunnen worden bedongen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-6961 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6961 WWB, 13/6962 WWB

Datum uitspraak: 17 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

4 december 2013, 12/1711 en 12/1712 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Ҫinar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2015. Voor appellanten is verschenen mr. Ҫinar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Jans.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen ten tijde in geding bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Op 2 januari 2012 hebben appellanten een aanvraag om langdurigheidstoeslag over het jaar 2012 ingediend.


1.3.

Naar aanleiding van diverse meldingen dat appellanten werkzaamheden verrichten in [naam bedrijf] te [plaatsnaam] heeft de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente

Geleen-Sittard een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn waarnemingen gedaan bij genoemde cafetaria, waarvan de zoon van appellanten eigenaar is, en heeft appellant een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

24 januari 2012.


1.4.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 31 januari 2012 (primair besluit 1) de bijstand van appellanten vanaf 1 juni 2010 in te trekken en de over de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 december 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 28.251,56 van appellanten terug te vorderen.


1.5.

Bij besluit van eveneens 31 januari 2012 (primair besluit 2) heeft het college de aanvraag van appellanten om langdurigheidstoeslag afgewezen.


1.6.

Bij besluit van 29 augustus 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college het tegen primair besluit 1 gemaakte bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat de bijstand vanaf 1 november 2010 wordt ingetrokken en de terugvordering wordt vastgesteld op een bedrag van

€ 20.679,53. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het verrichten van werkzaamheden waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.


1.7.

Bij besluit van eveneens 29 augustus 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het tegen primair besluit 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat appellanten over een ononderbroken periode van 60 maanden voorafgaand aan de aanvraag een inkomen hebben ontvangen dat niet hoger is dan de bijstandsnorm doordat zij binnen deze periode op geld waardeerbare, naar omvang onbekende, werkzaamheden hebben verricht.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten stellen zich op het standpunt dat de door appellant afgelegde verklaring niet juist is en niet als bewijs mag dienen omdat hij tijdens het verhoor de toezichthouders van het college naar de mond heeft gepraat. Onder verwijzing naar de door hun zoon ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring handhaven appellanten hun standpunt dat zij slechts in de maanden december 2011 en januari 2012 werkzaamheden voor hun zoon hebben verricht.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 november 2010 tot en met

31 januari 2012.


4.2.

Niet betwist wordt dat appellanten in de maanden december 2011 en januari 2012 werkzaamheden in de cafetaria van hun zoon hebben verricht.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten.


4.4.

Voor de beantwoording van de vraag of appellanten in de periode van 1 november 2010 tot december 2011 op geld waardeerbare activiteiten hebben verricht heeft het college doorslaggevende betekenis toegekend aan de door appellant afgelegde verklaring. Appellant heeft verklaard dat zij hun zoon vanaf de aanvang van zijn bedrijf hebben geholpen. Appellant is bijna iedere dag, zes tot soms zeven uur per dag, in de zaak aanwezig, ook in het weekeinde. Appellante heeft eveneens vanaf de start van de zaak geholpen; zij blijft soms één, soms twee uur en soms gaat zij niet omdat zij last heeft van haar rug en schouder. Appellant heeft weliswaar verklaard dat zij er alleen waren om hun zoon te helpen en dat zij geen werkzaamheden hebben verricht maar tevens heeft hij verklaard dat appellante pizza’s klaarmaakte en hijzelf tafels afruimde, opruimde en ook weleens een bestelling wegbracht. Daarnaast is tijdens de in de periode van 2 december 2011 tot en met 22 januari 2012 verrichte waarnemingen op diverse dagen en tijden gezien dat appellanten in de cafetaria werkzaamheden verrichtten waaronder het bereiden van pizza’s, het klaarmaken van bestellingen en het bedienen van klanten.


4.5.

De beroepsgrond dat appellant niet aan de door hem afgelegde en ondertekende verklaring kan worden gehouden, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan die aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Het op 23 januari 2012 met appellant gevoerde gesprek heeft plaatsgevonden met behulp van een tolk. Er zijn geen aanwijzingen dat appellant tijdens het gesprek iets niet heeft begrepen. Appellant heeft zijn verklaring, zonder voorbehoud, per pagina ondertekend. Er is geen reden om aan de juistheid van de verklaring te twijfelen. Aan de door hun zoon ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring dat zijn ouders alleen in de maanden december 2011 en januari 2012 werkzaamheden voor hem hebben verricht, kan in het licht van de door appellant afgelegde verklaring niet dat gewicht worden toegekend dat appellanten daaraan gehecht willen zien.


4.6.

Gelet op wat in 4.4 en 4.5 is overwogen heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten. Dat appellant heeft verklaard dat appellante en hij hiervoor geen beloning hebben ontvangen en dat zij hun zoon slechts hielpen maakt dat niet anders, nu voor dergelijke werkzaamheden normaal gesproken inkomsten worden ontvangen of kunnen worden bedongen.


4.7.

Het moet appellanten redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat hun werkzaamheden van invloed konden zijn op hun recht op bijstand. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellanten in de gehele hier te beoordelen periode de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door van deze werkzaamheden geen melding te maken en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) C. Moustaine



HD