Centrale Raad van Beroep, 17-03-2015 / 13-5984 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:802

Inhoudsindicatie
Herziening bijstand naar de norm van een alleenstaande. Maatregel in de vorm van een verlaging van de bijstand met 10% voor de duur van acht maanden. Appellant was geen alleenstaande ouder.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-5984 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5984 WWB

Datum uitspraak: 17 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

27 september 2013, 12/1739 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.P. Lemmen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E.R. Hinzen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 2 september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Naar aanleiding van een signaal van het Interventieteam van de gemeente Heerlen dat de zoon van appellant niet bij appellant inwoont, heeft de Afdeling Werkgelegenheid en Sociale Zaken een onderzoek verricht naar de woonsituatie van de zoon van appellant. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport mutatieonderzoek WWB van 28 november 2011. Hieruit komt naar voren dat de zoon van appellant, geboren [in]

[in] 1997, sinds 1 september 2010 vijf dagen in de week in een internaat in België verbleef. Hij verbleef één dag in het weekend bij appellant en één dag in het weekend bij zijn in België woonachtige moeder, die voor de zoon kinderbijslag ontving.


1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

3 april 2012 (besluit 1), voor zover hier van belang, de bijstand van appellant met ingang van 2 september 2011 te herzien naar de norm voor een alleenstaande. Daarnaast heeft het college met ingang van 1 maart 2012 een maatregel opgelegd in de vorm van een verlaging van de bijstand met 10% voor de duur van acht maanden.


1.4.

Bij besluit van 18 april 2012 (besluit 2) heeft het college de over de periode van

2 september 2011 tot en met 31 januari 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.487,03 van appellant teruggevorderd.


1.5.

Bij besluit van 27 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen alleenstaande ouder is, omdat de zoon geen tot zijn laste komend kind is. Dat is het geval omdat de kinderbijslag voor de zoon voor het schooljaar 2011-2012 werd uitbetaald aan de moeder. Omdat appellant niet heeft gemeld dat hij geen kinderbijslag meer ontving en ook niet dat zijn zoon nog maar één dag in de week bij hem verbleef, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan heeft appellant teveel bijstand ontvangen. De maatregel is terecht opgelegd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geschil is de periode van 2 september 2011 tot 1 april 2012.


4.2.

Niet in geschil is dat de moeder in de te beoordelen periode kinderbijslag voor de zoon kreeg. Appellant voert in hoger beroep aan dat de zoon niettemin tot zijn laste kwam omdat hij in het levensonderhoud van de zoon voorzag. Hij wijst er in dit verband op dat hij de kosten van het internaat van de zoon betaalde van de kinderbijslag die op grond van een afspraak met de moeder aan de moeder werd uitbetaald.


4.3.

Deze grond slaagt niet omdat de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van appellant. Uit de stukken blijkt niet dat appellant in de te beoordelen periode recht had op kinderbijslag. Op het informatieformulier dat de Sociale Verzekeringsbank in het kader van de aanvraag om kinderbijslag aan het internaat heeft gestuurd, wordt alleen de moeder als aanvrager vermeld. Bij de stukken bevindt zich geen stuk waaruit blijkt dat kinderbijslag van appellant, al dan niet op grond van een afspraak tussen appellant en de moeder, door de Sociale Verzekeringsbank aan de moeder is betaald. De enkele in hoger beroep overgelegde verklaring van de moeder, dat de kinderbijslag op haar naam moest blijven staan omdat zij de werkende ouder was en zij het geld altijd contant aan appellant gaf zodat hij zelf het internaat kon betalen, is daarvoor onvoldoende.


4.4.

Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van het internaat tot zijn laste kwamen. Hij heeft dit standpunt voor het eerst in beroep ingenomen. Appellant heeft tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase echter verklaard dat de moeder deze kosten voldeed. Appellant heeft in hoger beroep onder verwijzing naar een verklaring van de moeder onderbouwd dat zij de kinderbijslag van appellant ontving, waarna zij appellant dit geld gaf om het internaat te betalen. Die verklaring is onvoldoende, mede gelet op wat in 4.3 is overwogen. Uit de omstandigheid dat de moeder appellant geld gaf om het internaat te voldoen, volgt niet dat appellant de kosten van het internaat droeg. Bovendien heeft het college ter zitting van de Raad onweersproken gesteld dat appellant na diverse inhoudingen door het college slechts een bedrag van ongeveer € 108,- netto per maand overhield om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl de internaatkosten € 2.230,- per jaar bedroegen. Ook gelet hierop is niet aannemelijk dat de kosten van het internaat ten laste van appellant kwamen.


4.5.

Appellant heeft tot slot aangevoerd dat de maatregel ten onrechte is opgelegd omdat - zo begrijpt de Raad - hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, nu zijn zoon in de te beoordelen periode bij hem woonachtig was. Ook deze grond slaagt niet. De zoon verbleef in de te beoordelen periode immers slechts één dag in de week bij appellant. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door dat niet te melden en in plaats daarvan op de door hem ingevulde Status Mutatie Formulieren de vraag of iemand uit het gezinsverband tijdelijk elders verbleef steeds ontkennend te beantwoorden.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD