Centrale Raad van Beroep, 17-03-2015 / 13-6024 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:803

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Niet woonachtig op het opgegeven adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-6024 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6024 WWB

Datum uitspraak: 17 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

4 oktober 2013, 12/1948 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 februari 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 9 november 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Appellant staat sinds 20 februari 2006 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] (het opgegeven adres). De woning op dit adres is eigendom van [naam moeder], de moeder van appellant en tevens hoofdbewoonster van de woning.


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant niet op het opgegeven adres zou wonen, maar bij zijn (ex-)vriendin, [naam (ex-)vriendin] ([naam (ex-)vriendin]) in België, heeft de sociale recherche Maastricht (sociale recherche) onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is op 19 oktober 2010 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd, is met de moeder van appellant gesproken en heeft op 29 oktober 2010 een gesprek met appellant plaatsgevonden. Naar aanleiding van een tweede anonieme tip heeft de sociale recherche het onderzoek naar de woonsituatie van appellant voortgezet. In het kader van het nadere onderzoek is appellant verhoord en zijn onder meer [naam (ex-)vriendin] en de moeder van appellant gehoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van

23 maart 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

10 april 2012 de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 9 november 2009 tot en met 31 januari 2012 op de grond dat appellant in die periode niet woonde op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij dit besluit heeft het college tevens de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

9 november 2009 tot en met 31 december 2011 tot een bedrag van € 24.349,96 bruto en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2012 tot een bedrag van € 761,76 netto van appellant teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 11 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 10 april 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij gedurende de periode van 9 november 2009 tot 1 augustus 2011 zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Appellant betwist de juistheid van de door [naam (ex-)vriendin] afgelegde verklaring dat hij al sinds augustus 2009 bij haar verbleef. [naam (ex-)vriendin] wil haar verklaring aanpassen. Ook uit andere onderzoeksbevindingen kan niet worden afgeleid dat appellant zijn hoofdverblijf al met ingang van 9 november 2009 elders had. Gelet hierop is appellant van mening dat sprake is van gebrekkig en onzorgvuldig onderzoek naar het beginmoment van de verplaatsing van zijn hoofdverblijf, zodat de resultaten van het onderzoek niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan het bestreden besluit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven voor de beoordeling van (de voortzetting) van het recht op bijstand een essentieel gegeven vormt.


4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op grond van de onderzoeksbevindingen voldoende is komen vast te staan dat appellant in de hier te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Daarbij dient in de eerste plaats betekenis te worden toegekend aan de op 8 maart 2012 afgelegde verklaring van de moeder van appellant dat appellant met zijn zoon [naam zoon], geboren [in] 2005, bij haar heeft gewoond tot het moment dat [naam zoon] vier jaar was, dat hij vanaf dat moment (lees: [in]2009) steeds meer bij [naam (ex-)vriendin] is gaan verblijven en dat appellant al jaren zijn hoofdverblijf niet meer heeft op het opgegeven adres.


4.4.

Dat appellant in de hier te beoordelen periode niet woonachtig was op het opgeven adres vindt voorts steun in de verklaring van appellant zelf. Appellant heeft op 7 maart 2012 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij inderdaad niet altijd verblijft op het opgegeven adres in [plaatsnaam] en dat hij regelmatig en vanaf augustus 2011 veelvuldig bij [naam (ex-)vriendin] in België verblijft. Bovendien heeft hij verklaard dat hij gemiddeld twee maanden per jaar in de woning van zijn zus - en dus niet op het opgegeven adres - verblijft.


4.5.

Dat appellant al bij aanvang van de te beoordelen periode niet langer op het opgegeven adres woonachtig was, vindt behalve in de verklaring van de moeder, ook steun in de verklaring van [naam (ex-)vriendin]. Zij heeft in de door haar ten overstaan van de sociale recherche op 8 maart 2012 afgelegde en ondertekende verklaring verklaard dat appellant sinds augustus 2009 veel bij haar verblijft. Appellant heeft in hoger beroep weliswaar medegedeeld dat [naam (ex-)vriendin] van die verklaring wil terugkomen, maar daarvan geven de stukken geen blijk.


4.6.

Gelet op wat in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

17 maart 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) M.S. Boomhouwer



HD