Centrale Raad van Beroep, 17-03-2015 / 14-603 NIOAZ


ECLI:NL:CRVB:2015:808

Inhoudsindicatie
Terechte toepassing van artikel 4:5 Awb. Verzoek om beroep door een andere rechtbank te laten behandelen. Bij brief van 16 december 2013 heeft de griffier van de rechtbank appellant laten weten dat de brief van 28 november 2013 pas op 5 december 2013 door de rechtbank is ontvangen en dat toen al, namelijk op de zitting van 3 december 2013, op het beroep uitspraak was gedaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
14-603 NIOAZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/603 NIOAZ

Datum uitspraak: 17 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 december 2013, 13/4573 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2015. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Op 25 maart 2013 heeft appellant een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) ingediend.


1.2.

Bij brieven van 26 maart 2013 heeft het college appellant verzocht nadere stukken over te leggen. Bij brief van 16 april 2013 heeft het college opnieuw verzocht om overlegging

- uiterlijk op 2 mei 2013 - van diverse nader aangeduide stukken. Daarbij is appellant gewaarschuwd dat, als hij de gegevens niet of niet volledig verstrekt, de aanvraag niet verder zal worden behandeld.


1.3.

Bij besluit van 10 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant voor 2 mei 2013 een groot deel van de gevraagde stukken niet heeft overgelegd, waaronder de door de hoofdbewoner ingevulde hoofdbewonersverklaring, alle afschriften van de bank-, spaar- en creditcardrekeningen van appellant, een specificatie van de inkomsten van de laatste drie maanden uit arbeid, pensioen en/of verzekeringen, de jaarrekeningen 2011 en 2012 en de aangiften inkomstenbelasting 2002 en 2010 tot en met 2012.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de gegevens waar het college om heeft verzocht relevant zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering en dat niet in geschil is dat het college de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft ontvangen. Ook als appellant de indruk had gekregen dat hij tijdens het intakegesprek over de aanvraag uitstel had gekregen voor het aanleveren van de ontbrekende stukken, had hij moeten reageren op de duidelijke verzoeken van het college in de brieven van 26 maart 2013 en 16 april 2013. Appellant had tijdig voor de gestelde hersteltermijn om uitstel kunnen vragen als hij nog niet kon beschikken over de jaarrekening 2012 en de aangifte inkomstenbelasting 2012, wat hij niet heeft gedaan. Bovendien heeft appellant de overige stukken waar het college om had verzocht ook niet ingeleverd. Het college heeft daarom in redelijkheid van de bevoegdheid tot buiten behandelingstelling gebruik kunnen maken.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor het in behandeling nemen van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is onder meer sprake van een onvolledige en ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gevraagde gegevens voor een goede beoordeling van de aanvraag van appellant noodzakelijk waren. Verder staat vast dat het college appellant in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen en dat die aanvulling niet binnen de aan betrokkene gegeven hersteltermijn, die eindigde op 2 mei 2013, heeft plaatsgevonden. Ten tijde van het nemen van het besluit van 10 mei 2013 was daarom voldaan aan de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb gestelde voorwaarden om de aanvraag niet in behandeling te nemen.


4.3.

Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de in beroep ingediende gronden van appellant op juiste wijze besproken en afdoende gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Appellant heeft geen nadere gronden aangevoerd of op andere wijze aannemelijk gemaakt waarom naar zijn opvatting het door de rechtbank gegeven oordeel over zijn gronden onjuist dan wel onvolledig is, zodat geen aanleiding bestaat anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.


4.4.

Appellant heeft nog naar voren gebracht dat hij de rechtbank bij brief van

28 november 2013 heeft verzocht zijn beroep door een andere rechtbank dan de rechtbank Amsterdam te laten behandelen, dat dit verzoek ten onrechte niet is gehonoreerd en dat hij daarover ten onrechte geen reactie heeft ontvangen van het bestuur van de rechtbank. Bij brief van 16 december 2013 heeft de griffier van de rechtbank appellant laten weten dat de brief van 28 november 2013 pas op 5 december 2013 door de rechtbank is ontvangen en dat toen al, namelijk op de zitting van 3 december 2013, op het beroep uitspraak was gedaan. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de rechtbank appellant tevens heeft meegedeeld dat het poststempel op de envelop waarin de brief van appellant van 28 november 2013 is verzonden als datum 4 december 2013 vermeldt, treft deze beroepsgrond reeds hierom geen doel. De Raad tekent hierbij nog aan dat appellant er zekerheidshalve voor had kunnen kiezen de zitting van 3 december 2013 bij te wonen. Appellant is evenwel, zonder bericht, niet op die zitting verschenen.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) O.P.L. Hovens






MK