Centrale Raad van Beroep, 17-03-2015 / 15-489 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:816

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijstand en terugvordering verleend voorschot. De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode, die loopt van 3 december 2013 tot en met 27 maart 2014, feitelijk woonachtig was op het opgegeven adres. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
15-489 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/489 WWB, 15/711 WWB-VV

Datum uitspraak: 17 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 december 2014, 14/8105 en 14/4144 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 28 januari 2015

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Mr. A.A. Namaki, advocaat, heeft namens verzoeker hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft mr. Namaki namens verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn vader, [naam vader]. Het college heeft zich zonder bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Verzoeker heeft zich op 3 december 2013 bij het Uwv werkbedrijf gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 24 februari 2014 heeft verzoeker de aanvraag ingediend. Verzoeker heeft daarbij vermeld dat hij op het adres

[adres 1] (uitkeringsadres) een appartement bewoont.


1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft klantmanager [klantmanager] van de afdeling inkomen, bureau Nieuwe Klanten van de gemeente Nijmegen een onderzoek ingesteld. Bij besluit van 26 februari 2014 heeft het college verzoeker een voorschot toegekend van € 1.000,-. Op

19 maart 2014 heeft de klantmanager met verzoeker gesproken. Aansluitend heeft de klantmanager op het uitkeringsadres een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 27 maart 2014.


1.3.

Bij besluit van 27 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen en het aan verzoeker verstrekte voorschot van € 1.000,- van hem teruggevorderd. Het college heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres, zodat niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.


1.4.

Hangende de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft het college op

12 augustus 2014 in de omgeving van het uitkeringsadres een buurtonderzoek verricht. Buurtbewoonster [naam] (S) heeft in dat kader als getuige tegenover twee fraudepreventiemedewerkers een verklaring afgelegd. De bevindingen van het buurtonderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 31 augustus 2014.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank), voor zover van belang, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bij het huisbezoek aangetroffen omstandigheden en de daarover door verzoeker afgelegde verklaringen, in samenhang met de verklaring van de buurtbewoonster, niet wijzen op feitelijke bewoning door verzoeker van het opgegeven adres in de van belang zijnde periode.


3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.


4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.


4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.


4.4.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is onder meer verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.5.

De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode, die loopt van 3 december 2013 tot en met 27 maart 2014, feitelijk woonachtig was op het opgegeven adres. Uit het onderzoek blijkt dat de tijdens het huisbezoek geconstateerde situatie afweek van de situatie zoals verzoeker die had geschetst tijdens het direct aan het huisbezoek voorafgaande gesprek. Zo heeft verzoeker verklaard dat zich in het appartement een kleine kamer bevindt waar zijn kleding en twee mandjes met sokken en onderbroeken liggen en dat hij een normale hoeveelheid kleding bezit. Tijdens het huisbezoek werden in die kamer, naast een vlaggenmast met vlag, een kussen voor op een tuinstoel en een twee- of drietal kussentjes, slechts drie stuks kleding en één paar schoenen aangetroffen. De door verzoeker vermelde sokken en onderbroeken werden bovendien niet aangetroffen. De stelling van verzoeker dat alle overige kleding op dat moment bij zijn moeder was omdat zij zijn was doet, wordt niet aannemelijk geacht, te meer omdat verzoeker voorafgaande aan het huisbezoek heeft verklaard dat de was in de in het appartement aanwezige wasmachine wordt gedaan. Ook de door verzoeker eerst achteraf gegeven verklaring, namelijk dat een deel van zijn kleding zich onder het bed bevond, wordt niet aannemelijk geacht. Met de rechtbank valt niet in te zien waarom verzoeker dit niet tijdens het huisbezoek zou vermelden. Verder is van belang dat de door verzoeker vermelde persoonlijke verzorgingsartikelen tijdens het huisbezoek niet in het appartement zijn aangetroffen. De stelling van verzoeker dat zijn toiletartikelen zich wel degelijk in de badkamer bevonden, maar dat deze niet zijn gefotografeerd overtuigt niet, te meer niet nu in het verslag van het huisbezoek is opgetekend dat in de douche geen zaken als douchezeep, tandpasta of andere persoonlijke verzorgingsartikelen zijn aangetroffen. Het door verzoeker getoonde appartement vertoonde volgens het verslag van het huisbezoek voorts geen sporen van bewoning en er werden ook overigens geen persoonlijke spullen, zoals bijvoorbeeld administratie van verzoeker, aangetroffen. Gevraagd naar wat er zich in de ladekast in de woonkamer bevond gaf verzoeker tijdens het huisbezoek te kennen dat hij dat niet wist. Nadat verzoeker vervolgens de lades had geopend verklaarde hij dat wat er in lag niet van hem was.


4.6.

De bevindingen van het onderzoek vinden steun in de verklaring die getuige S op

12 augustus 2014 heeft afgelegd. S heeft onder meer verklaard dat zij goed zicht had op de achterzijde van de woning, dat verzoeker nooit ’s avonds in de woning verbleef en dat zij zeker wist dat verzoeker niet op dit adres woonde. Dit wist S omdat zij de vader van verzoeker goed kende en omdat ze tevens van de vrouw des huizes had gehoord dat de familie, ten minste tot een week voor het buurtonderzoek nog in de [adres 2] woonde. Deze verklaring is aan S voorgelezen en zij heeft deze, na in haar verklaring te hebben volhard, vervolgens zonder voorbehoud ondertekend.


4.7.

Verzoeker heeft er op gewezen dat S haar verklaring kort na het afleggen daarvan heeft ingetrokken. Ter zitting heeft verzoeker een schriftelijke verklaring van S voorgelezen, onder meer inhoudende dat de door S tegenover de fraudepreventiemedewerkers afgelegde verklaring niet juist is geweest, dat zij zich onder druk gezet heeft gevoeld waardoor zij bepaalde dingen verkeerd of anders heeft uitgelegd en dat zij niet kan weten wanneer verzoeker in het appartement verbleef, omdat zij vanuit haar woning geen zicht had op de voorzijde van de woning waarin verzoeker woonde. Voor zover verzoeker hiermee wil betogen dat geen betekenis toekomt aan de verklaring die S op 12 augustus 2014 heeft afgelegd, slaagt dit betoog niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 18 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3570) mag in het algemeen van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende getuigenverklaring worden uitgegaan, ook indien de getuige later van een afgelegde verklaring terugkomt. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.


4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat verzoeker geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonsituatie in de te beoordelen periode. Verzoeker heeft hiermee zijn inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen.


4.9.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


4.10.

Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.





BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) R.G. van den Berg





IJ