Centrale Raad van Beroep, 11-03-2015 / 12-5344 WAO-T


ECLI:NL:CRVB:2015:840

Inhoudsindicatie
Appellant ontvangt sinds 1991 een WAO-uitkering. In de loop van 2004 is het Uwv het contact met appellant kwijt geraakt. Appellant reageerde niet meer op brieven, terwijl er geen ander adres van appellant bekend was. Deze situatie heeft geleid tot diverse besluiten. Achteraf is gebleken dat appellant gedurende diverse perioden gedetineerd is geweest. Ook is er een periode geweest waarin appellant zich aan detentie heeft onttrokken. De rechtbank heeft als primair te beantwoorden vraag opgeworpen of het schorsingsbesluit van 29 maart 2005 zijn werking heeft behouden tot 11 april 2007. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. Door het besluit van 2 mei 2007 tot intrekking van de uitkering met ingang van een datum die nog was gelegen voor de datum waarop de schorsing was ingegaan was die schorsing naar zijn aard dan ook van de baan. Het bestreden besluit berust in zoverre op een onjuiste juridische grondslag. Het Uwv krijgt de opdracht om het geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarbij zal het Uwv het recht op WAO-uitkering van appellant in de periode van 1 december 2004 tot 11 april 2007 opnieuw moeten beoordelen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-11
Publicatiedatum
2015-03-24
Zaaknummer
12-5344 WAO-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/135
Uitspraak

12/5344 WAO-T

Datum uitspraak: 11 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 augustus 2012, 11/6204 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nijssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nog enkele stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nijssen. Namens het Uwv is verschenen mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant ontvangt sinds 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).


1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 23 februari 2011 heeft het Uwv beslist op een drietal bezwaarschriften van appellant tegen door het Uwv genomen besluiten. Het betreft een besluit van 27 oktober 2010, waarbij het Uwv heeft beslist dat de WAO-uitkering van appellant niet, zoals eerder beslist bij besluit van 2 mei 2007, per 1 januari 2004 maar per 27 augustus 2004 wordt ingetrokken en dat een bedrag van € 4.489,94 wordt teruggevorderd, een besluit van

28 oktober 2010, waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van

24 mei 2007 heeft heropend, en een besluit van 29 oktober 2010, waarbij het Uwv heeft beslist dat appellant vanaf 27 augustus 2004 geen recht meer heeft op een toeslag ingevolge de Toeslagenwet, en dat daarom een bedrag van € 1.070,84 wordt teruggevorderd.


1.3.

Bij deze beslissing op bezwaar van 23 februari 2011 heeft het Uwv de bezwaren tegen het besluit van 27 oktober 2010 en het besluit van 29 oktober 2010 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 28 oktober 2010 is gegrond verklaard, in die zin dat de

WAO-uitkering van appellant per 11 april 2007 wordt heropend.


1.4.

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 25 juli 2011 het namens appellant tegen het besluit van 23 februari 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat van appellant niet verlangd kon worden dat hij, nu zijn WAO-uitkering pas in oktober 2010 is ingetrokken wegens detentieperiodes in 2004-2007, in die periode na een detentieperiode steeds weer om heropening van zijn WAO-uitkering had moeten verzoeken.


1.5.

Het Uwv heeft berust in de uitspraak van de rechtbank te Haarlem en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, gedateerd 21 november 2011 (bestreden besluit). In dat besluit is overwogen dat, nu de WAO-uitkering van appellant bij besluit van 29 maart 2005 met ingang van 1 december 2004 is geschorst, recht op WAO-uitkering bestaat over de periode van 20 september 2004, zijnde het einde van een detentieperiode, tot

1 december 2004. In dat besluit is voorts overwogen dat, nu de WAO-uitkering pas in oktober 2010 is ingetrokken, niet van appellant kon worden verwacht dat hij, terwijl zijn uitkering nog niet was ingetrokken, telkens bij invrijheidstelling na een detentieperiode, om heropening zou vragen. Aangezien appellant echter pas op 24 mei 2007 voldaan heeft aan zijn verplichting om een bewijs van inschrijving te verstrekken van zijn woonadres, kan pas per die datum de WAO-uitkering worden hervat. Dit vanwege de omstandigheid dat de schorsing van de uitkering per 1 december 2004 nog steeds van kracht was. Aangezien in een eerder stadium al was beslist dat de WAO-uitkering per 11 april 2007 zou worden heropend, wordt daarop niet teruggekomen. Er wordt een bedrag aan WAO-uitkering teruggevorderd van

€ 2.019,87 en een bedrag aan uitkering ingevolge de Toeslagenwet van € 248,19.


2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van

29 maart 2005, waarbij de WAO-uitkering van appellant per 1 december 2004 is geschorst, op een juiste grondslag berust. Daaraan doet niet af dat nadien, bij besluit van 2 mei 2007, de WAO-uitkering per 1 januari 2004 is ingetrokken. Dat besluit berustte op andere gronden dan het schorsingsbesluit en het schorsingsbesluit is bij dat besluit ook niet ingetrokken. Het schorsingsbesluit was dan ook nog steeds van kracht. Nu appellant pas per 11 april 2007 weer aan zijn informatieverplichtingen heeft voldaan is de WAO-uitkering terecht pas per die datum heropend.


3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Appellant is van oordeel dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom een ingetrokken uitkering toch geschorst kan blijven en waarom die schorsing zou kunnen herleven nadat die intrekking ongedaan is gemaakt. Onder verwijzing naar de door het Uwv opgestelde Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking, en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels), heeft appellant gesteld dat de schorsing in ieder geval is opgeheven zodra aan de informatieverplichting is voldaan, in casu op 24 mei 2007. Tevens acht appellant het in strijd met het vertrouwensbeginsel dat het Uwv in de besluiten van 27, 28 en 29 oktober 2010, evenmin als in het besluit op bezwaar van 23 februari 2011, een beroep heeft gedaan op het schorsingsbesluit.


4.1.

De Raad oordeelt als volgt.


4.2.

Appellant ontvangt sinds 8 mei 1991 een WAO-uitkering. In de loop van 2004 is het Uwv het contact met klager kwijt geraakt. Appellant reageerde niet meer op brieven, terwijl er geen ander adres van appellant bekend was. Deze situatie heeft geleid tot diverse besluiten, waaronder de hiervoor genoemde. Achteraf is gebleken dat appellant gedurende diverse perioden gedetineerd is geweest, namelijk van 27 juli 2004 tot en met 19 september 2004, van 24 oktober 2005 tot en met 19 december 2005, en van 30 augustus 2006 tot en met

10 april 2007. In de periode van 20 december 2005 tot en met 29 augustus 2006 heeft appellant zich aan detentie onttrokken. Bij het bestreden besluit neemt het Uwv, in navolging van de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 25 juli 2011, niet langer het standpunt in dat appellant zich na de detentieperioden had moeten melden bij het Uwv met een verzoek om heropening als bedoeld in artikel 47b van de WAO. Wel stelt het Uwv zich op het standpunt dat het schorsingsbesluit van 29 maart 2005, waarbij de uitkering met ingang van

1 december 2004 is geschorst, zijn werking heeft behouden tot 24 mei 2007, zijnde de dag waarop appellant een bewijs van inschrijving van de gemeente Haarlem heeft overgelegd, met dien verstande dat de schorsing is beperkt tot 11 april 2007.


4.3.

Terecht heeft de rechtbank als primair te beantwoorden vraag opgeworpen of het schorsingsbesluit van 29 maart 2005 zijn werking heeft behouden tot 11 april 2007. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. Na het schorsingsbesluit is de WAO-uitkering van appellant bij besluit van 2 mei 2007 ingetrokken per 1 januari 2004, waarbij expliciet verwezen is naar het schorsingsbesluit van 29 maart 2005 en het daarin vermelde niet nakomen van de verplichtingen zoals die in het schorsingsbesluit omschreven waren. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Beleidsregels wordt een schorsing opgeheven als het recht op uitkering naar behoren is vastgesteld. Volgens de toelichting op artikel 2 van de Beleidsregels is schorsing/opschorting een voorlopige maatregel. Wanneer is komen vast te staan dat en in hoeverre de verzekerde nog recht heeft op de uitkering, is daarmee de grond voor de schorsing of opschorting vervallen. In de Beleidsregels wordt schorsing voorts gedefinieerd als het tijdelijk stopzetten van de uitbetaling van een lopende uitkering. Van een lopende uitkering is geen sprake (meer) indien de uitkering is ingetrokken. Door het besluit van 2 mei 2007 tot intrekking van de uitkering met ingang van een datum die nog was gelegen voor de datum waarop de schorsing was ingegaan was die schorsing naar zijn aard dan ook van de baan. Het bestreden besluit berust in zoverre op een onjuiste juridische grondslag.


4.4.

Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven het in rechtsoverweging 4.3. geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarbij zal het Uwv het recht op WAO-uitkering van appellant in de periode van

1 december 2004 tot 11 april 2007 opnieuw moeten beoordelen. De Raad markeert in dit verband dat de WAO ten tijde als hier van belang geen artikelen bevatte die het recht op uitkering ontzeggen aan personen die zich onttrekken aan een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel. Bij zijn nadere beoordeling zal het Uwv de tot de gedingstukken behorende gespreksnotitie met appellant dienen te betrekken, waaruit blijkt dat appellant zich op 12 september 2005 bij de receptie van het Uwv Alkmaar heeft gemeld, en aldaar zijn verblijfsadres heeft doorgeven.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) W. de Braal





NK