Centrale Raad van Beroep, 20-03-2015 / 13-6913 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:850

Inhoudsindicatie
WIA-uitkering. Maatman. Wetenschappelijk assistent in opleiding, uitgevallen door een ongeval een week voordat zij haar proefschrift zou verdedigen. Het door appellante gedane beroep op door haar gezondheidssituatie niet gerealiseerde toekomstverwachtingen inzake aanstelling in een hoger beloonde functie treft geen doel. 1) Het Uwv heeft het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het besluit 1, terecht niet-ontvankelijk verklaard, wegens termijnoverschrijding. 2) De arbeidsdeskundige heeft aanleiding gezien tot correctie van het maatmaninkomen, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de theoretische WIA-schatting is gewijzigd van 35,79 naar 62,48%. De wijziging van de resterende verdiencapaciteit heeft ook een wijziging van de rechtspositie tot gevolg. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit ten onrechte in zoverre het bezwaar tegen het besluit 2 ongegrond verklaard en ten onrechte geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen reden om beperkingen op cognitieve functies aan te nemen en niet aangetoond dat wordt voldaan aan de criteria voor het aannemen van een urenbeperking. Het Uwv heeft het maatmaninkomen terecht gebaseerd op het laatste loondienstverband als wetenschappelijk onderzoeker bij het Ministerie van Justitie met een omvang van 25,98 uur per week. In het geval van appellante kan niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden aangenomen dat zij de door haar genoemde functie bij TNO zou hebben gekregen als zij niet door gezondheidsklachten zou zijn getroffen. Het door appellante gedane beroep op door haar gezondheidssituatie niet gerealiseerde toekomstverwachtingen inzake aanstelling in een hoger beloonde functie treft geen doel. Appellante is geen medische afzakker.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-20
Publicatiedatum
2015-03-24
Zaaknummer
13-6913 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR.nl 2015-0028
  • SZR-Updates.nl 2015-0028
Uitspraak

13/6913 WIA

Datum uitspraak: 20 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 november 2013, 12/1838 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M. de Roo, advocaat, hoger beroep ingesteld. De opvolgend gemachtigde, J.R. Beukema, heeft nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is onder meer werkzaam geweest als wetenschappelijk assistent in opleiding en is een week voordat zij haar proefschrift zou verdedigen op 7 oktober 2004 uitgevallen in verband met de gevolgen van een ongeval. Bij besluit van 6 november 2006 is aan haar met ingang van 5 oktober 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 57,14%. Na herbeoordeling heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 27% en bij besluit

van 13 november 2007 de WGA-uitkering met ingang van 5 april 2008 beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen het besluit 13 november 2007 is bij besluit van 8 mei 2008 ongegrond verklaard.


1.2.

Nadat appellante enige tijd gewerkt had als wetenschappelijk onderzoeker heeft zij zich op 8 februari 2010 als vrijwillig verzekerde ziek gemeld in verband met behandeling in een revalidatiekliniek. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 8 februari 2010 niet arbeidsgeschikt in de zin van de WIA is gebleken en heeft aan haar bij besluit

van 18 november 2010 met ingang van 8 februari 2010 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend.


1.3.

Bij brief van 12 augustus 2011 heeft het Uwv appellante te kennen gegeven dat het besluit van 18 november 2010 op een onjuiste grondslag berust en om die reden wordt ingetrokken. Vervolgens heeft het Uwv aan appellante bij besluit van -eveneens-

12 augustus 2011 (besluit 1) met ingang van 8 februari 2010 een

WGA loonaanvullingsuitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.


1.4.

Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv appellante bij besluit

van 15 augustus 2011 (besluit 2) een loonaanvullingsuitkering toegekend met ingang

van 23 juni 2011. Deze uitkering is gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 35,7%.


1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen de besluiten 1 en 2 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd en appellante onderzocht en geen reden gezien om af te wijken van de beoordeling van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien tot correctie van het maatmaninkomen, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de theoretische schatting met ingang van 23 juni 2011 is gewijzigd van 35,79 naar 62,48%. Bij beslissing op bezwaar van 5 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding en het bezwaar tegen het besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv de door appellante gevraagde vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen, omdat de WIA-uitkering onveranderd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid

van 35 tot 80%.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.2.

Wat betreft het beroep van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat de termijn voor het indienen van het bezwaar is aangevangen op 13 augustus 2011 en is geëindigd op 23 september 2011 en voorts geconstateerd dat het Uwv het bezwaarschrift heeft ontvangen

op 27 september 2011. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat blijkens het stempel op de envelop het bezwaarschrift van appellante op 25 september 2011 en daarmee na het verstrijken van de bezwaartermijn ter post is bezorgd. Gelet op het voorgaande is het bezwaarschrift naar het oordeel van de rechtbank dus te laat ingediend.


2.3.

Ten aanzien van het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd heeft dat er geen aanleiding is om beperkingen aan te nemen ten aanzien van cognitieve functies. Deze verzekeringsarts heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat voor de vaststelling van de belastbaarheid niet als uitgangspunt dient te gelden het zeer hoge cognitieve niveau van appellante vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid, maar de norm voor de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waaraan appellante ruimschoots voldoet. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bij het oordeel heeft betrokken dat op grond van neuropsychologisch onderzoek (NPO), dat is verricht in opdracht van het Uwv, geen cognitieve functiestoornissen werden geobjectiveerd. De rechtbank acht in dit verband tevens van belang dat bij het vaststellen van de FML op grond van het NPO over de psychische belastbaarheid van appellante beperkingen zijn aangenomen.


2.4.

De beroepsgrond van appellante dat sprake is van energetische beperkingen op grond waarvan een urenbeperking dient te worden aangenomen heeft de rechtbank eveneens verworpen. Niet kan gezegd worden dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de energetische klachten van appellante. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts te kennen heeft gegeven dat appellante geen wisseldiensten kan verrichten. In hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het Uwv aanleiding had moeten zien voor een verdergaande beperking.


2.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voorts afdoende gemotiveerd dat geen sprake is van het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden. Niet is gebleken dat de fysieke beperkingen van appellante niet zijn onderkend en evenmin is gebleken dat sprake is van een ondeugdelijke motivering. Uit het medisch onderzoeksrapport van 9 februari 2012 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij lichamelijk onderzoek een normale functie van het bewegingsapparaat heeft vastgesteld en een normale coördinatie met een minimale abductiebeperking van de rechterarm, die dermate gering is dat dit niet leidt tot een functionele beperking ten opzichte van de normaalwaarde van de FML.


2.6.

Ten slotte heeft de rechtbank, gelet op de in beroep overgelegde medische rapporten van de behandelaars van appellante, geen aanleiding gezien het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige te honoreren.


2.7.

Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het maatmaninkomen moet worden gebaseerd op het laatste loondienstverband als wetenschappelijk onderzoeker bij het Ministerie van Justitie met een maatmanomvang van 25,98 uur per week. Het standpunt van appellante dat uitgegaan dient te worden van een maatmanomvang van 40 uur heeft de rechtbank niet gevolgd. Met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2007:BB7760) heeft de rechtbank daartoe overwogen dat in het geval van appellante niet is gebleken dat reeds ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid met een redelijke mate van zekerheid kon worden aangenomen dat appellante, als zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, een hoger beloonde functie zou zijn gaan bekleden.


2.8.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellante niet kan worden aangemerkt als een “medische afzakker” nu uit de in beroep overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat zij na overleg met of op advies van haar behandelend artsen in 2007 minder uren is gaan werken.


3. In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat het Uwv het bezwaar tegen besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard nu zij reeds bij brief van 15 december 2010 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 18 november 2010, welk besluit is ingetrokken en vervangen door besluit 1. Appellante heeft haar stelling gehandhaafd dat ten onrechte is geoordeeld dat er in dit geval geen aanleiding is om de kosten in bezwaar te vergoeden in verband met de gewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid. Appellante is voorts onveranderd van mening dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en heeft opnieuw verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. Appellante kan zich verder niet vinden in het vastgestelde dagloon, maandloon en het maatmaninkomen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante heeft in reactie op het besluit van 18 november 2010 in haar brief

van 15 december 2010 te kennen gegeven dat zij nog niet over voldoende informatie beschikte en heeft verzocht om verlenging van de bezwaartermijn. Niet is gebleken dat zij nadien tijdig bezwaar heeft gemaakt. Nu voorts niet is aangetoond dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat blijkens het poststempel het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit 1 ter post is bezorgd nadat de bezwaartermijn was verstreken, wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat het Uwv het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het besluit 1, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.


4.2.

Besluit 1 bevat een toelichting op de berekening van de WGA-uitkering van appellante en tevens de beslissing over het dagloon. Het in hoger beroep aangevoerde over de beweerdelijke onjuistheid van het dagloon dient, wat daarvan ook zij, in dit geding buiten bespreking te blijven nu voorgenoemde beslissing alleen in het kader van besluit 1 kon worden beoordeeld en het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk is verklaard. Nu voorts het maandloon wordt berekend op basis van het eerder vastgestelde dagloon kan ook bespreking van de berekening van het maandloon achterwege blijven. De vermelding van het maandloon in elk volgend besluit betekent niet dat opnieuw over het dagloon is beslist.


4.3.

Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten in bezwaar oordeelt de Raad met verwijzing naar zijn uitspraak van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:2014:3495) als volgt. Het Uwv heeft in het besluit 2 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 35,79% bedraagt. In de bezwaarfase is de resterende verdiencapaciteit gewijzigd in € 696,16 per maand en het arbeidsongeschiktheidspercentage in 62,48. Omdat de resterende verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, heeft de wijziging van de resterende verdiencapaciteit ook een wijziging van de rechtspositie tot gevolg. Dit betekent dat sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hieruit volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit ten onrechte in zoverre het bezwaar van appellante tegen het besluit 2 ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.4.

De rechtbank heeft op goede gronden en met juistheid overwogen dat door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek is verricht. Op grond van de beschikbare gegevens is er geen reden om beperkingen op cognitieve functies aan te nemen en is voorts niet aangetoond dat wordt voldaan aan de criteria voor het aannemen van een urenbeperking. Appellante heeft in hoger beroep geen objectief medische gegevens ingebracht die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van het door de rechtbank onderschreven medische standpunt van het Uwv. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad zich met de in het dossier beschikbare gegevens voldoende voorgelicht acht om tot een eindoordeel te komen over de medische grondslag van het bestreden besluit en dus geen aanleiding ziet het aangekondigde rapport van een neurologisch onderzoek bij het oordeel te betrekken en het tevens niet noodzakelijk acht een onafhankelijk deskundige te benoemen.


4.5.

Appellante heeft, wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, in het bijzonder wat betreft het bij de arbeidsongeschiktheidsberekening als maatgevend gehanteerde inkomen, onveranderd betoogd dat het Uwv in zijn besluitvorming ten onrechte niet is uitgegaan van verdiensten als gepromoveerd onderzoeker in een voltijds dienstverband. Daarover heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat in het geval van appellante niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat zij de door haar genoemde functie bij TNO zou hebben gekregen als zij niet door gezondheidsklachten zou zijn getroffen. In navolging van de rechtbank komt de Raad tot de slotsom dat het door appellante gedane beroep op door haar gezondheidssituatie niet gerealiseerde toekomstverwachtingen inzake aanstelling in een hoger beloonde functie geen doel treft.


4.6.

Het Uwv heeft het maatmaninkomen gebaseerd op het laatste loondienstverband als wetenschappelijk onderzoeker bij het Ministerie van Justitie met een omvang van 25,98 uur per week. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de zogenoemde medische afzakker bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en geeft geen aanleiding tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep zijn geen stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat zij op advies van de haar behandelend artsen of de bedrijfsarts tot urenvermindering is overgegaan en is van een medische noodzaak daartoe ook anderszins niet gebleken.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd voor zover daarbij besluit 2 niet is herroepen en vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen.


5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar en in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 490,- in bezwaar, € 1.225,- in beroep en € 980,- in hoger beroep.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep



  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 maart 2012;
  • - herroept het besluit van 15 augustus 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 5 maart 2012;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten tot een bedrag van € 2.695,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) I. Mehagnoul




MK