Centrale Raad van Beroep, 12-03-2015 / 13-4642 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:854

Inhoudsindicatie
Onvoldoende beoordeling. College heeft aan bewijslast voldaan. Ontslag wegens ongeschiktheid. Appellant schoot in zijn functioneren tekort, is hierop aangesproken en hem is voldoende gelegenheid en ondersteuning aangeboden om zijn functioneren te verbeteren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-03-24
Zaaknummer
13-4642 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/4642 AW, 13/4643 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 juli 2013, 12/10646 en 13/1830 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.H.J. Termeulen, R.A. van der Hoeven en M. van der Veen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was sinds 1973 aangesteld bij de Technische Universiteit Delft, laatstelijk in de functie [naam functie] bij [naam afdeling]. Het betreft een functie op het niveau van schaal 5.


1.2.

Over 2008 is het functioneren van appellant beoordeeld als bijna voldoende en over 2009 als onvoldoende. Er hebben met appellant verschillende gesprekken over het verbeteren van zijn functioneren plaatsgevonden. Verder is in 2010 een coachingstraject van een maand gestart waarin appellant is begeleid bij zijn werkzaamheden en tips heeft gekregen over een betere uitvoering daarvan.


1.3.

Bij besluit van 19 augustus 2011 is het functioneren van appellant over 2010 wederom als onvoldoende beoordeeld. Hieraan is onder meer ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende zelfstandig werkt, onvoldoende secuur is, alleen doet wat hem wordt gevraagd, zijn werkzaamheden onvoldoende afstemt en afspraken niet nakomt. Bij besluit van

5 oktober 2012 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.


1.4.

In 2011 heeft appellant nog twee coachingstrajecten gevolgd. Het functioneren van appellant over 2011 is als onvoldoende beoordeeld. Daaraan ligt onder meer ten grondslag dat bij appellant sprake is van te weinig initiatief en zelfstandigheid, dat hij te weinig overlegt met klanten en/of collega’s en dat hij te veel fouten maakt in de uitvoering van zijn taken.


1.5.

Op 17 april 2012 heeft het college aan appellant meegedeeld voornemens te zijn het dienstverband per 1 augustus 2012 te beëindigen. Het college legt daaraan ten grondslag dat appellant wezenlijk en duurzaam tekort blijft schieten in het voldoen aan de functie-eisen. Het bestuur verwijst daartoe onder meer naar de beoordelingen over de periode 2008-2011. Appellant heeft zijn zienswijze op dit voornemen gegeven.


1.6.

Het college heeft bij besluit van 8 mei 2012 appellant met ingang van 1 september 2012 ontslag verleend op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 4 februari 2013 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


2.1.

Wat de bij bestreden besluit 1 gehandhaafde beoordeling over 2010 betreft, heeft de rechtbank vooropgesteld dat de toetsing van een beoordeling op grond van vaste rechtspraak is beperkt tot de vraag of deze op onvoldoende gronden berust. In geval van negatieve oordelen geldt als uitgangspunt dat het betrokken bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat deze negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij hoeft niet elk feit dat dient ter onderbouwing van deze beoordeling boven elke twijfel verheven te zijn. Het is zelfs niet van doorslaggevend belang indien bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of te zijn geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen die toetsing kunnen doorstaan.


2.2.

De rechtbank heeft de vraag of de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust bevestigend beantwoord. Appellant is in verschillende gesprekken duidelijk gemaakt dat zijn functioneren op een groot aantal punten verbetering behoeft en met hem zijn ook concrete afspraken over verbetering ervan gemaakt. In weerwil van deze afspraken heeft appellant over 2010 geen vooruitgang laten zien, terwijl hij ook is gecoacht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het college bij het opstellen van de beoordeling gebruik mocht maken van informanten, omdat dit goede informatie voor een gedegen oordeel kan opleveren en de Regeling resultaat- en ontwikkelingscyclus werknemers TU Delft 2009 ook bepaalt dat informanten kunnen worden ingeschakeld.


2.3.

Wat het ontslag betreft, heeft de rechtbank geoordeeld dat in het bestreden besluit 2 afdoende is uiteengezet waarom appellant ongeschikt is te achten voor zijn functie. De rechtbank acht van belang dat het functioneren van appellant al geruime tijd niet voldeed aan de gestelde eisen en dat appellant met gesprekken en coaching in voldoende mate is geconfronteerd met zijn tekortschieten en de gelegenheid is geboden om zijn functioneren te verbeteren.


3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld op hierna te bespreken gronden.


4.1.

De Raad overweegt als volgt.


4.2.

Wat de beoordeling betreft, sluit de Raad zich aan bij de door de rechtbank gebruikte overwegingen en maakt deze tot de zijne. De rechtbank heeft de juiste maatstaf gehanteerd en heeft deze ook correct toegepast.


4.3.

Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de omstandigheid dat de coaching van appellant door een oud-leidinggevende is uitgevoerd, zoals appellant in hoger beroep heeft uiteengezet, niet meebrengt dat deze inspanning niet als coaching of als voldoende begeleiding zou kunnen worden aangemerkt. Voorts is niet doorslaggevend dat appellant, zoals onder meer volgt uit door hem in hoger beroep overgelegde stukken, vóór 2008 goed heeft gefunctioneerd. Het betreft een andere periode dan in dit geding aan de orde is en bovendien betrof het hier werkzaamheden die meer zelfstandig en minder in teamverband werden uitgeoefend dan die in de laatstelijk door appellant beklede functie.


4.4.

Ten aanzien van het ontslag wegens ongeschiktheid moet worden vooropgesteld dat volgens vaste rechtspraak ongeschiktheid voor een functie zich moet uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen. Van ontslag wegens ongeschiktheid zal niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de betrokken ambtenaar op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om dit te verbeteren, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1926. Verder is het bestuursorgaan dat voornemens is ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid in beginsel gehouden te onderzoeken of er andere passende werkzaamheden beschikbaar zijn voor de betrokken ambtenaar. In dit geval vloeit deze verplichting ook voort uit artikel 8.4, zesde lid, van de CAO NU.


4.5.

Gelet op de onvoldoende beoordelingen van appellant in de periode 2008-2011 is vast komen te staan dat zijn functioneren tekortschoot. Aan de hand van de vele verschillende in die beoordelingen benoemde aspecten waarin dat tekortschieten was gelegen, kon het appellant ook voldoende duidelijk zijn waar het hier om ging. Hoewel de precieze bewoordingen van de beoordelingen soms verschillen, is wel duidelijk dat onder meer accuratesse, zelfstandigheid en initiatief, en overleg en contact met leidinggevenden en directe collega’s verbetering behoefden. Ter zitting heeft het bestuur nog herhaald dat appellant weliswaar tijdelijk vooruitgang heeft laten zien wat het melden van afwezigheid wegens doktersbezoek betreft, maar dat hij zich daarna toch weer onvoldoende aan de afspraak om afwezigheid te melden heeft gehouden. Deze stelling is door appellant niet voldoende gemotiveerd bestreden.


4.6.

Tevens is, gelet op de hiervoor genoemde beoordelingen en de overige gedingstukken, komen vast te staan dat appellant ook herhaaldelijk op dit tekortschieten is aangesproken. Nu er aan appellant coaching is geboden en er ook verschillende gesprekken hebben plaatsgevonden over verbetering van zijn functioneren, kan niet gezegd worden dat appellant onvoldoende gelegenheid en ondersteuning is geboden om zijn functioneren te verbeteren.


4.7.1.

Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er binnen de eigen organisatie geen passende functies voorhanden zijn die appellant zou kunnen vervullen. De weinige functies op het niveau van schaal 5 die binnen de organisatie bestaan zijn immers functies in de interne facilitaire dienstverlening, die nagenoeg identiek zijn aan of sterk vergelijkbaar zijn met de laatstelijk door appellant vervulde functie.


4.7.2.

Verder is appellant begeleid door een herplaatsingscoördinator. In de gesprekken die appellant met deze herplaatsingscoördinator heeft gevoerd, is gebleken dat appellant geen gebruik heeft willen maken van de mogelijkheid tot outplacement. Weliswaar betrof het hier outplacement via een organisatie die actief is in de sociale werkvoorziening als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw), maar daarmee was nog niet gezegd dat de outplacement persé in de vorm van plaatsing in Wsw-geïndiceerde arbeid zou plaatsvinden. Het lag op de weg van appellant, die zich bij de gesprekken met de herplaatsingscoördinator liet vergezellen van een vakbondsconsulent, om eventuele onduidelijkheden over de outplacement met de herplaatsingscoördinator te bespreken. Zo het aanbod niet passend was, had dit naar aanleiding van vragen en verdere gesprekken mogelijk wel passend(er) gemaakt kunnen worden. Nu heeft appellant dat aanbod afgewezen en is in genoemde gesprekken meer de nadruk komen te liggen op het bereiken van een vertrekregeling.


4.8.

Gelet op het hiervoor overwogene kan het oordeel van de rechtbank over de bestreden besluiten in rechte stand houden. Het hoger beroep slaagt niet.


5. Voor een vergoeding van proceskosten in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en K.J. Kraan en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015.





(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) E. Heemsbergen





MK