Centrale Raad van Beroep, 17-03-2015 / 14-1209 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:866

Inhoudsindicatie
Weigering bijstand. Onvoldoende grondslag voor het oordeel dat het college de aanvraag van appellant had moeten doorzenden naar de centrumgemeente.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-24
Zaaknummer
14-1209 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1209 WWB

Datum uitspraak: 17 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

22 januari 2014, 12/1623 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Waterland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Walker heeft antwoord gegeven op een door de Raad gestelde vraag en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2015. Voor appellant is

mr. Walker verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Otte.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Hij beschikte over het [briefadres] te [M.] (briefadres). Op 28 juli 2011 is in de woning op dat adres een hennepkwekerij aangetroffen. Dit heeft geleid tot intrekking van de bijstand van appellant per 21 april 2011 en tot terugvordering van gemaakte kosten van bijstand. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de ingangsdatum van de intrekking na bezwaar en beroep is bepaald op 28 juli 2011. De intrekking is niet langer in geschil. De terugvordering is komen te vervallen.


1.2.

Appellant heeft op achtereenvolgens 8, 16 en 23 augustus 2011 aanvragen om bijstand bij het college ingediend voor een langdurigheidstoeslag, algemene en bijzondere bijstand. Bij brieven van 12 augustus 2011, 19 augustus 2011 en 22 augustus 2011 heeft appellant het college nadere inlichtingen verstrekt, waarbij hij onder meer heeft opgemerkt dat hij met betrekking tot de hennepkwekerij geen uitgaven en inkomsten heeft gehad.


1.3.

Bij brief van 30 augustus 2011, gericht aan het briefadres, heeft het college appellant gevraagd of de inschrijving van dit adres als zijn briefadres in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) nog steeds juist is en appellant verzocht daarvan stukken in te sturen. Deze brief is door [Y.], de hoofdbewoonster op het hiervoor genoemde adres, aan het college geretourneerd met de mededeling dat dit adres niet langer als briefadres voor appellant fungeert.


1.4.

Uit een zich bij de stukken bevindende uitdraai uit het GBA blijkt dat daarin is aangetekend dat appellant op 12 september 2011 is vertrokken en dat onbekend is waarheen.


1.5.

Bij besluit van 28 september 2011 heeft het college onder meer de aanvraag van appellant om algemene bijstand afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat op

28 juli 2011 bij appellant een hennepkwekerij is aangetroffen, dat hij geen concrete verifieerbare gegevens heeft overgelegd over de omvang, productie en omzet van die kwekerij, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Voorts heeft het college in dit besluit opgenomen dat appellant geen vaste woon- en verblijfplaats en geen GBA-adres meer heeft in de gemeente Waterland, dat in de regio de gemeenten Amsterdam, Purmerend, Hoorn, Haarlem en Alkmaar als centrumgemeenten fungeren voor het verstrekken van bijstand aan adreslozen en dat appellant zich tot die gemeenten kan wenden voor het doen van een aanvraag om bijstand.


1.6.

Bij brief van 4 oktober 2011 heeft de burgemeester van Waterland, na een spreekuurcontact, appellant ook gewezen op de mogelijkheid van het aanvragen van bijstand in een van de centrumgemeenten voor het verstrekken van bijstand aan adreslozen. Vervolgens is appellant formeel uitgeschreven uit de GBA van de gemeente Waterland. Op 31 oktober 2011 is appellant ingeschreven in de GBA van de gemeente Purmerend.


1.7.

Aan appellant is met ingang van 6 oktober 2011 bijstand toegekend vanwege de gemeente Purmerend, een centrumgemeente voor de verlening van bijstand aan adreslozen (centrumgemeente).


1.8.

Bij besluit van 15 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de weigering appellant een langdurigheidstoeslag te verstrekken. De beroepsgrond die was gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om algemene bijstand slaagt volgens de rechtbank niet. Appellant had in dit verband aangevoerd dat het college de aanvragen had moeten doorsturen naar de centrumgemeente. Omdat appellant zijn feitelijke verblijfplaats niet aan het college had kenbaar gemaakt, was het college volgens de rechtbank niet in staat te beoordelen welk bestuursorgaan kennelijk bevoegd was de aanvraag van appellant in behandeling te nemen, zodat niet van het college verlangd kon worden de aanvraag door te zenden.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant beoogt met het hoger beroep te bereiken dat hem alsnog bijstand wordt verleend over de periode van 16 augustus 2011 tot en met 5 oktober 2011.


4.2.

De Raad ziet, anders dan appellant heeft aangevoerd, onvoldoende grondslag voor het oordeel dat het college de aanvraag van appellant van 16 augustus 2011 had moeten doorzenden naar de centrumgemeente. Voorop staat dat een betrokkene die aanspraak op bijstand wenst te maken, zelf verantwoordelijk is voor de inhoud van de daartoe strekkende aanvraag. Hoewel appellant, naar hij heeft aangevoerd, al vanaf 28 juli 2011 niet meer beschikte over woonruimte in die gemeente, heeft hij een aanvraag ingediend om reguliere bijstand in de gemeente Waterland. Het college heeft niet ten onrechte aangenomen dat appellant zijn band met [M.] (gemeente Waterland) niet direct wilde prijsgeven. Appellant heeft bij zijn aanvraag nog gebruik gemaakt van zijn briefadres en hij heeft zich voor de behartiging van zijn belangen ook gewend tot de burgemeester van die gemeente. Appellant heeft in ieder geval nog in de periode van 16 augustus 2011 tot 6 oktober 2011 ingeschreven gestaan in de GBA van de gemeente Waterland. Pas nadat hem duidelijk was geworden dat hij niet langer ingeschreven kon staan in de gemeente Waterland en daardoor ook van die gemeente geen bijstand kon ontvangen, heeft appellant zich gewend tot de centrumgemeente. Ten slotte is van belang dat, nu appellant op 16 augustus 2011 nog op een adres stond ingeschreven in de GBA van de gemeente Waterland, hij geen adresloze was. Appellant gebruikte dat adres ook in het kader van de behandeling van zijn aanvraag. Hij is op 28 juli 2011 weliswaar dakloos geworden, maar niet is gebleken dat hij vervolgens een zwervend bestaan leidde. Daarom stond nog niet zonder meer vast dat hij onder de doelgroep van de wettelijke regeling voor adreslozen viel. Onder de hiervoor vermelde omstandigheden kan niet worden gezegd dat het college ingevolge artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht gehouden was de aanvraag om bijstand door te zenden naar een centrumgemeente. De discussie tussen partijen over de vraag welke centrumgemeente dat had moeten zijn, kan verder buiten bespreking blijven.


4.3.

In hoger beroep zijn geen gronden gericht tegen de aangevallen uitspraak en tegen het bestreden besluit voor zover het betreft de inhoudelijke gronden van afwijzing van de aanvraag. Appellant heeft daarover opgemerkt dat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien verder in te gaan op de beroepsgronden tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand op inhoudelijke gronden, aangezien partijen het erover eens waren dat de intrekking over de periode voorafgaand aan 28 juli 2011 en de afwijzing van de aanvraag van 16 augustus 2011 op inhoudelijke gronden niet gehandhaafd konden worden. Het doel van het hoger beroep is thans nog het college van burgemeester en wethouders van Purmerend ertoe te bewegen, na een doorverwijzing, een besluit te nemen op de aanvraag die appellant bij het college van burgemeester en wethouders van Waterland heeft ingediend. Als de Raad zou vaststellen dat de aanvraag had moeten worden doorgezonden, kan eventueel ook een verzoek om herziening bij burgemeester en wethouders van Purmerend worden ingediend, aldus appellant. Uit 4.2 volgt dat de Raad in dit geval geen doorzendverplichting aanneemt. Dat neemt niet weg dat, nu de inhoudelijke afwijzingsgrond kennelijk geen rol meer speelt maar alleen de vraag of appellant vanaf 16 augustus 2011 viel onder de doelgroep van de wettelijke regeling voor adreslozen, appellant aan het college van burgemeester en wethouders van Purmerend nog kan verzoeken of het op grond van de bijzondere omstandigheden van dit geval bereid is zijn recht op bijstand als dakloze over de periode van 16 augustus 2011 tot en met 5 oktober 2011 te beoordelen. Bij die beoordeling kan het college van burgemeester en wethouders van Waterland zo nodig als informant behulpzaam zijn, aangezien dat college in die periode met appellant bekend was.


4.4.

Gelet op 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) O.P.L. Hovens





HD