Centrale Raad van Beroep, 24-03-2015 / 14-940 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:875

Inhoudsindicatie
Uit het bestreden besluit blijkt dat het college de grondslag van het besluit van 20 augustus 2012 niet langer juist achtte. Er is sprake van een gewijzigd inzicht dat uitsluitend berust op een aanvankelijke onjuiste waardering van feiten en omstandigheden. Dat maakt het besluit van 20 augustus 2012 onrechtmatig. De onrechtmatigheid is niet aan appellanten maar aan het college te wijten. Dat door aflossingen hangende de bezwaarfase inmiddels aan de eisen voor kwijtschelding is voldaan, doet aan het vorenstaande niet af. Het college heeft het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, dan ook ten onrechte afgewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-24
Publicatiedatum
2015-03-25
Zaaknummer
14-940 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/940 WWB

Datum uitspraak: 24 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2013, 13/1825 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, op verzoek van de Raad, nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. Appellanten zijn, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het college is, daartoe opgeroepen, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 8 augustus 2005, voor zover van belang, heeft het college gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.778,89 van appellanten teruggevorderd.


1.1.

Bij besluit van 23 september 2005, voor zover van belang, heeft het college gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.371,26 van appellanten teruggevorderd.


1.2.

Bij brief van 28 december 2005 heeft het college aan de toenmalige werkgever van appellant meegedeeld dat derdenbeslag zal worden gelegd voor een bedrag van € 42.538,14 (een niet nader aangeduide schuld uit 2002 plus € 31.778,89 plus € 1.371,26).


1.3.

Bij brief van 8 februari 2006 heeft het college aan appellanten meegedeeld dat de schuld van € 31.778,89 na bezwaar is komen te vervallen en dat de schuld van € 1.376,26 inmiddels is gebruteerd met een bedrag van € 407,20, waarmee de totale resterende schuld uitkomt op

€ 11.166,45.


1.4.

Bij brief van 23 augustus 2007 heeft het college appellanten meegedeeld dat de schuld

€ 10.445,73 bedraagt en heeft het college appellanten de keuze geboden tussen twee aflossingsmethoden.


1.5.

Bij brief van 19 september 2007 heeft het college aan appellanten meegedeeld dat het aflossingsbedrag op € 124,62 per maand is vastgesteld.


1.6.

Bij brief van 4 december 2007 heeft het college het aflossingsbedrag per maand vastgesteld op € 70,78.


1.7.

Bij ongedateerde brief, bij het college binnengekomen op 24 juli 2012, hebben appellanten verzocht om kwijtschelding van hun schulden.


1.8.

Bij besluit van 20 augustus 2012 heeft het college dit verzoek afgewezen op de grond dat appellanten niet voldoen aan de voorwaarden voor kwijtschelding zoals neergelegd in het van toepassing zijnde beleid, namelijk dat geen kwijtschelding wordt verleend als beslag is gelegd.


1.9.

Bij besluit van 11 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2012 gegrond verklaard, het besluit van 20 augustus 2012 herroepen, bepaald dat het verzoek om kwijtschelding wordt gehonoreerd en bepaald dat geen aanleiding is voor een proceskostenvergoeding (lees: vergoeding van de kosten van bezwaar). Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het beslag van

7 februari 2006 appellanten niet kan worden tegengeworpen aangezien na de beslaglegging een aanbod voor een minnelijke betalingsregeling volgens het contractmodel heeft plaatsgevonden. Volgens het beleid moeten appellanten 36 termijnen van € 124,62 =

€ 4.486,32 aflossen om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Ten tijde van het verzoek om kwijtschelding is van de op 1 december 2007 openstaande vordering van

€ 10.445,73 een bedrag van € 4.337,54 afgelost. Omdat inmiddels hangende de bezwaarfase een bedrag van € 4.762,22 is afgelost, komt de schuld van appellanten alsnog voor kwijtschelding in aanmerking.


1.10.

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de in het bestreden besluit vervatte weigering van het college de kosten te vergoeden die appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard omdat het besluit van 20 augustus 2012 niet is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid. De herroeping is een gevolg van de aflossingen die in de bezwaarfase zijn gedaan, waardoor is voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij hebben zij, kort gezegd, aangevoerd dat het besluit van 20 augustus 2012 (ook) om andere redenen onrechtmatig is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.


4.2.

Op grond van artikel 58 van de Wet werk en bijstand, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. Het gaat daarbij om een discretionaire bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3647) moet de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere invordering hierin besloten worden geacht.


4.3.

Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college de Beleidsregels inzake opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van inkomensvoorzieningen (beleidsregels) vastgesteld.


4.4.

Uit het bestreden besluit blijkt dat het college de grondslag van het besluit van

20 augustus 2012 niet langer juist achtte. Er is sprake van een gewijzigd inzicht omdat het beslag van 7 februari 2006 bij nader inzien appellanten niet kon worden tegengeworpen. Vastgesteld wordt dat dit gewijzigde inzicht uitsluitend berust op een aanvankelijke onjuiste waardering van feiten en omstandigheden, zoals deze zich ten tijde van het besluit van

20 augustus 2012 voordeden. Dat maakt het besluit van 20 augustus 2012 onrechtmatig. De onrechtmatigheid is niet aan appellanten maar aan het college te wijten. Dat door aflossingen hangende de bezwaarfase inmiddels aan de eisen voor kwijtschelding is voldaan, doet aan het vorenstaande niet af. Het college heeft het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, dan ook ten onrechte afgewezen.


4.5.

Uit 4.4 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal

- doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb vernietigen voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen.


5. Voorts bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.940,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 11 februari 2013 gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 11 februari 2013 voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen;
  • - veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 2.940,-;
  • - bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) De griffier is buiten staat te ondertekenen





MK