Centrale Raad van Beroep, 14-01-2015 / 12-6861 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:88

Inhoudsindicatie
Weigering WIA uitkering. Wachttijd niet vervuld. Voldoende medische grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-14
Publicatiedatum
2015-01-22
Zaaknummer
12-6861 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6861 WIA

Datum uitspraak: 14 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 november 2012, 12/2070 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellant is een brief, gedateerd 30 januari 2013, van behandelend psychiater

R.W. Jessurun ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 15 mei 2014 gereageerd op de brief van psychiater Jessurun.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2014. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Wijling. Namens het Uwv is verschenen M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 3 maart 2011 heeft het Uwv appellant met ingang van 24 januari 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontzegd. Daarbij is overwogen dat appellant al arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering op 1 november 2008.


1.2.

Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is een andere motivering dan die aan het primaire besluit ten grondslag lag gehanteerd, namelijk dat appellant per

15 december 2009 hersteld verklaard is in het kader van de Ziektewet (ZW), zodat hij de wachttijd van 104 weken in het kader van de Wet WIA niet heeft vervuld.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort weergegeven - overwogen dat appellant in het kader van de ZW per 15 december 2009 weer geschikt is geacht zijn werkzaamheden vervullen, terwijl ook overigens niet gebleken is dat de wachttijd in het kader van de Wet WIA is vervuld.


3. In hoger beroep is, onder verwijzing naar diverse brieven van psychiater Jessurun, gesteld dat appellant in 2009/2010 geconfronteerd is met een forse terugval en dat deze terugval daarna heeft voortgeduurd. Bovendien wordt een beroep gedaan op de omstandigheid dat appellant door de gemeente is vrijgesteld van de verplichting tot het verrichten van arbeid.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Met de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY0121) is in het kader van de ZW vast komen te staan dat appellant per 15 december 2009 geschikt was om zijn eigen werkzaamheden als magazijnmedewerker te verrichten.

4.3.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de wachttijd ingevolge de Wet WIA op de datum in geding niet is vervuld. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 december 2011 is dat standpunt voldoende onderbouwd. Er is rekening gehouden met de door psychiater Jessurun verstrekte informatie. De psychiater spreekt over recidiverende depressieve episoden, en een moeizaam verlopende behandeling. In zijn brief van 10 juli 2012 stelt hij dat de situatie op die dag al zo was op 15 december 2009. Mede gelet op de zeer lichte aard van de door appellant verrichte werkzaamheden is het oordeel van het Uwv voldoende gemotiveerd.


4.4.

Ook wordt onderschreven het oordeel van de rechtbank dat de vrijstelling van de arbeidsverplichting door de gemeente heeft plaatsgevonden in een ander wettelijk kader, zodat daaraan op zich geen doorslaggevende betekenis toekomt.


4.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) W. de Braal





nk