Centrale Raad van Beroep, 25-03-2015 / 13-5524 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:891

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Benadelingshandeling. Buschauffeur ontslagen wegens alcoholgebruik. Verwijtbaarheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-25
Publicatiedatum
2015-03-26
Zaaknummer
13-5524 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5524 ZW

Datum uitspraak: 25 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (lees: Oost-Brabant) van 5 september 2013, 13/3082 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats]appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G. Spijker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 3 februari 2015 heeft appellant nadere (medische) gegevens overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Spijker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 mei 1986 bij zijn (ex-)werkgever voor onbepaalde tijd in dienst getreden als buschauffeur. Op 31 juli 2011 is hij uitgevallen met rugklachten. Bij beschikking van 22 augustus 2012 heeft de kantonrechter het dienstverband van appellant met ingang van 1 september 2012 ontbonden. Appellant en zijn (ex-)werkgever zijn overeengekomen dat het dienstverband per deze datum in onderling overleg wordt beëindigd. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 28 september 2012 aan appellant met ingang van 1 september 2012 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.2.

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per gelijke datum beëindigd, waarbij is meegedeeld dat de ten onrechte betaalde ZW-uitkering over de periode van 3 september 2012 tot 4 februari 2013 niet wordt teruggevorderd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat het Uwv eerst achteraf heeft vastgesteld dat het dienstverband van appellant tijdens zijn ziekte met wederzijds goedvinden is beëindigd, waardoor appellant zijn recht op loondoorbetaling bij ziekte heeft prijs gegeven en onnodig een beroep doet op een uitkering ingevolge de ZW.


1.3.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv is van mening dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Omdat appellant onder invloed van alcohol zijn werk als buschauffeur in het openbaar vervoer heeft willen aanvangen, kan hij geen aanspraak meer maken op loonbetaling door de werkgever en moet hij ziekengeld aanvragen.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant zich als werknemer zodanig heeft gedragen dat was te voorzien dat het onder invloed op zijn werk verschijnen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou leiden en zo sprake zou zijn van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j van de ZW. Dat appellant nooit die bewuste dag onder invloed van alcohol zijn dienst in de bus heeft gereden, maakt dit niet anders. Ook de stelling van appellant dat de oorzaak van de ontbinding niet zo zeer gelegen is in het bewuste alcoholincident maar dat dit een gebrek aan vertrouwen is, treft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ontslagbrief van de (ex-)werkgever aan appellant van 5 juni 2012, geen doel. Daarin staat uitdrukkelijk aangegeven dat artikel 79 van de CAO aangeeft dat bij aanvang van of tijdens de dienst de werknemer vrij moet zijn van alcohol of andere middelen die het functioneren beïnvloeden. Daarbij komt dat appellant zowel tegen de bedrijfsarts als de leidinggevende heeft ontkend dat hij alcohol had gebruikt, zodat de maat vol was en het door de (ex-)werkgever in appellant gestelde vertrouwen geheel weg was. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de door het Uwv opgelegde maatregel van de vierde categorie in overeenstemming is met artikel 7, onder c, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit). Van een dringende reden als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de ZW op grond waarvan het Uwv had dienen af te zien van het opleggen van de maatregel is niet gebleken noch is gebleken dat het niet nakomen van de verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d van het Maatregelenbesluit.


3. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. Hij heeft hiertoe in essentie gelijke gronden als in bezwaar en beroep aangevoerd. Samengevat stelt appellant dat hij geen verwijtbare of laakbare handeling heeft gepleegd, waardoor zijn loonaanspraak is komen te vervallen en daarmee sprake zou zijn van een benadelingshandeling. De pijnklachten waar appellant sinds 2011 mee kampt, ten gevolge waarvan appellant zich arbeidsongeschikt acht, zijn de oorzaak van het op 4 juni 2012 onder invloed van alcohol bij de bedrijfsarts verschijnen. Appellant benadrukt dat hij niet de intentie had om te gaan werken. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellant nadere medische gegevens overgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW bepaalt onder meer dat het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid benadeelt of zou kunnen benadelen.


4.2.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit wordt bij overtreding van de verplichting, bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW een maatregel opgelegd van de vierde categorie.


4.3.

Artikel 2 van het Maatregelenbesluit, voor zover hier van belang, luidt:


1. De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met m, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op:

(…)

c. 25 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie, bedoeld in de artikelen 5 en 6; of

d. een blijvend gehele weigering van de uitkering bij verplichtingen uit de vierde categorie, bedoeld in artikel 7, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval onderdeel c van toepassing is.

(…)


4.4.

Uit de wetsgeschiedenis (onder meer aangehaald in CRvB 2 december 1998, LJN AA8998) volgt dat de wetgever met artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in het bijzonder het oog heeft gehad op de situatie waarin de werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment waarop het ongeschiktheidsrisico reeds is ingetreden. Van een benadelingshandeling kan sprake zijn als de werknemer zich zodanig heeft gedragen dat was te voorzien dat zijn gedragingen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zouden leiden.


4.5.

Ter beoordeling hiervan wordt allereerst van belang geacht dat uit een spreekuurresultaatformulier van 7 mei 2012 blijkt dat het in de periode hier in geding qua gezondheidstoestand van appellant beduidend beter ging. Appellant had voor halve diensten het eigen werk van buschauffeur hervat en zou binnen een paar weken volledig in het eigen werk hervatten. Niet in geschil is dat appellant na zijn afspraak met de bedrijfsarts op 4 juni 2012 ingeroosterd stond voor het rijden van een halve dienst. Gebleken is dat appellant in de avond/nacht van 3 op 4 juni 2012, naar zijn zeggen ter bestrijding van zijn pijnklachten, een ruime hoeveelheid alcohol gedronken heeft waardoor hij op het spreekuur van de bedrijfsarts op 4 juni 2012 om 13.30 uur een duidelijke alcoholgeur bij zich droeg. Aangezien appellant tegen zowel de bedrijfsarts als zijn leidinggevende destijds ontkende alcohol te hebben genuttigd heeft, met instemming van appellant, een bloedonderzoek plaatsgevonden om het alcoholpromillage te bepalen. De uitslag van dit onderzoek toonde volgens een spreekuurresultaatformulier van 4 juni 2012 aan dat appellant, ten tijde van het spreekuuronderzoek, een alcoholpromillage bleek te hebben dat ruim 2,5 maal zo hoog was dan het wettelijk maximaal toegestane waarmee een automobilist privématig een voertuig onder rijbewijs B mag besturen. Nadat de (ex-)werkgever bekend is geraakt met de uitslag, is appellant bij brief van 5 juni 2012 op staande voet ontslagen. De werkgever heeft hierbij vermeld dat het feit dat appellant bij zowel de bedrijfsarts als bij zijn leidinggevende ontkend heeft alcohol te hebben gebruikt en aansluitend aan het spreekuur met de rijdienst moest aanvangen, maakt dat de maat nu echt vol was.


4.6.

Uit de feiten, zoals onder 4.5 beschreven, blijkt afdoende dat het incident dat zich op 4 juni 2012 heeft afgespeeld voor de werkgever aanleiding is geweest om de procedure, die uiteindelijk tot ontslag via een minnelijke schikking per 1 september 2012 heeft geleid, te starten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zich op zo’n wijze heeft gedragen dat te voorzien was dat dat gedrag tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou leiden. Het betoog van appellant dat hij niet de intentie had om te gaan werken, volgt de Raad, in het licht van de voorhanden gegevens, niet. Indien appellant op 4 juni 2012 wegens pijnklachten niet in staat zou zijn geweest om zijn halve dienst van die dag te rijden, had het op zijn weg gelegen om zich op een daartoe voorgeschreven wijze bij zijn werkgever te melden.


4.7.

Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat geen gronden bestaan om aan te nemen dat bij appellant sprake is van een verminderde verwijtbaarheid welke reden vormt om ten gunste van hem af te wijken van de hoogte van de opgelegde maatregel.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en D.S. de Vries en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) W. de Braal




DK