Centrale Raad van Beroep, 24-03-2015 / 14-4727 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:901

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om kwijtschelding van schuld. Fraudevordering. Appellant heeft niet gedurende tien jaar lang volledig aan zijn aflossingsverplichtingen voldaan. Appellant heeft daarmee niet voldaan aan voorwaarden van het door het college gehanteerde beleid. Beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-24
Publicatiedatum
2015-03-26
Zaaknummer
14-4727 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4727 WWB

Datum uitspraak: 24 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 juli 2014, 13/7995 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling gevoegd met zaak nr. 14/2911 WWB.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgehad op 9 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman en mr. M.R. Keyser. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN


1.1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.2.

Appellant heeft bij brief van 17 juli 2013 verzocht om kwijtschelding van zijn schuld aan het college.


1.3.

Bij besluit van 5 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college dat verzoek afgewezen op de grond dat sprake is van een fraudevordering. Volgens het door het college gehanteerde beleid kan een dergelijke vordering slechts worden kwijtgescholden indien - voor zover hier van belang - gedurende minimaal tien jaar (120 maanden) volledig aan de aflossingsverplichtingen is voldaan.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft op een fraudevordering. Volgens het beleid van het college kan de vordering dan worden kwijtgescholden indien gedurende minimaal vijf jaar aan de aflossingsverplichtingen is voldaan. Daarvan is in zijn geval sprake. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar het geval van een zekere mevrouw [naam]. In die zaak zou het college het totaal van alle vorderingen in aanmerking hebben genomen, terwijl in het onderhavige geval alle tien de openstaande vorderingen van het college op appellant afzonderlijk worden bezien.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het onderhavige verzoek om kwijtschelding heeft betrekking op een vordering van het college die is ontstaan op 24 oktober 2001 en die betrekking heeft op de periode van

12 oktober 1998 tot en met 23 mei 1999. De bovengenoemde zaak 14/2911 WWB heeft mede op die vordering betrekking. Nu in die zaak is overwogen dat appellant in de periode van 12 oktober 1998 tot en met 23 mei 1999 meerdere keren de inlichtingenverplichting heeft geschonden, staat vast dat het onderhavige verzoek betrekking heeft op een terugvordering die een gevolg is van “het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht”, als bedoeld in de Beleidsregel opschorting, intrekking, terug- en invordering WWB en WIJ Rotterdam 2009 (beleidsregel). Hieruit volgt dat de aflossingstermijn tien jaar bedraagt en dat het college door het hanteren van die termijn heeft gehandeld in overeenstemming met de beleidsregel.


4.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de gedingstukken moet worden afgeleid dat appellant niet gedurende tien jaar lang volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan. De Raad verenigt zich met dat oordeel en met de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, zoals neergelegd in onderdeel 4 van de aangevallen uitspraak. Appellant heeft in hoger beroep geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd die tot een ander oordeel leiden.


4.3.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Het college voert terecht aan dat het in de zaak van [naam], anders dan in die van appellant, ging om een vordering die voortvloeide uit één en dezelfde gedraging. Voorts had [naam] wel gedurende tien jaar onafgebroken afgelost en appellant niet.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) C.M.A.V. van Kleef






MK