Centrale Raad van Beroep, 24-03-2015 / 14/5 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:903

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag. Niet woonachtig op het opgegeven adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-24
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
14/5 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5 WWB, 14/6 WWB

Datum uitspraak: 24 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2013, 13/5697 en 13/5708 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant) en [appellante] te [woonplaats 2] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.A.J. Purperhart, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Purperhart en [naam hoofdbewoner]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blok.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant woonde vanaf 23 september 2003 bij zijn zus, [naam hoofdbewoner] (hoofdbewoner), in de [straat] in [woonplaats 2]. De hoofdbewoner is in juli 2012 verhuisd naar [adres] in [woonplaats 1] (adres). Appellant is op 17 augustus 2012 verhuisd naar het adres. Op 22 oktober 2012 heeft appellant zich gemeld voor een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Appellante verblijft sinds november 2012 in Nederland. Bij haar aanvraag om bijstand, met een meldingsdatum van 6 december 2012, heeft appellante vermeld dat zij bij de hoofdbewoner, haar tante, woont op het adres.


1.3.

Bij besluit van 19 december 2012 heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet alle gevraagde bankafschriften had ingeleverd.


1.4.

Op grond van een vermoeden dat appellanten niet wonen op het adres hebben bijzonder controleurs van de gemeente Lansingerland (controleurs) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellanten. In dat kader hebben de controleurs administratief onderzoek gedaan en op 10 januari 2013 een huisbezoek afgelegd aan het adres. Bij dat huisbezoek waren appellanten niet aanwezig, maar wel de hoofdbewoner. Op 18 januari 2012 hebben de controleurs appellanten ieder afzonderlijk gehoord over hun woon- en leefsituatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in afzonderlijke rapporten van

22 januari 2013.


1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

13 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 augustus 2013 (bestreden

besluit 1) de aanvraag van appellante af te wijzen. Bij besluit van 6 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijk besluit van 21 augustus 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college het besluit van 19 december 2012 ingetrokken en de aanvraag van appellant alsnog inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld dat appellanten op het adres wonen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellanten hebben zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat een redelijke grond voor het huisbezoek niet aanwezig was en dat bovendien geen sprake is geweest van “informed consent”. Deze grond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van belang.


4.2.

Van “informed consent” bij het binnentreden in de woning is sprake indien de toestemming van de belanghebbende daarvoor berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4872) maken binnentredende ambtenaren, indien één bewoner van een woning toestemming tot binnentreden verleent, in beginsel geen inbreuk op het huisrecht van de overige bewoners. Aan de toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden ontleend dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden. Dit betreft echter niet die in die woning afzonderlijke en afsluitbare gedeelten, bestemd tot exclusief woongebruik van die andere bewoners. Indien een andere bewoner dan degene wiens bijstand in het geding is toestemming tot binnentreden verleent, behoeft ten opzichte van die bewoner niet te zijn voldaan aan het vereiste van “informed consent” in de onder 4.2 bedoelde zin. Wel is degene die in een woning binnentreedt ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Dit voorschrift is ook van toepassing in het geval dat met toestemming van de bewoner wordt binnengetreden. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van

22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6402.


4.4.

Uit het Registratieformulier huisbezoek (C) blijkt dat de controleurs zich tegenover de hoofdbewoner hebben gelegitimeerd en haar het doel van het binnentreden hebben meegedeeld, namelijk het controleren van de woon- en leefsituatie van appellanten, en dat de hoofdbewoner de controleurs toestemming heeft gegeven om de woning op het adres binnen te treden. Tevens blijkt uit het formulier dat de hoofdbewoner het huisbezoek mocht weigeren. Het Registratieformulier huisbezoek (C) is door de hoofdbewoner en de beide controleurs ondertekend. Van in de woning op het adres afzonderlijke, afsluitbare gedeelten, bestemd tot exclusief woongebruik van appellanten, was geen sprake.


4.5.

Appellant heeft in verband met het huisbezoek nog aangevoerd dat een huisbezoek reeds daarom onrechtmatig was omdat zijn aanvraag al buiten behandeling was gesteld bij besluit van 19 december 2012. Anders dan appellant meent, staat deze omstandigheid niet in de weg aan het afleggen van een huisbezoek. Uit de gedingstukken komt naar voren dat het besluit van 19 december 2012 ten onrechte was genomen, omdat was gebleken dat appellant alle gevraagde stukken tijdig had aangeleverd. Ter zitting heeft de hoofdbewoner bevestigd dat er nog diezelfde week na het nemen van het besluit telefonisch contact is geweest over dat besluit en dat toen is gezegd dat de aanvraag alsnog inhoudelijk zou worden beoordeeld. In het kader van die beoordeling was het college bevoegd onderzoek te doen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens over de woon- en leefsituatie van appellant.

4.6.

Uit het huisbezoek is naar voren gekomen dat de controleurs, op een map met administratie na, geen persoonlijke zaken hebben aangetroffen, waarvan vaststaat dat deze aan appellanten toebehoren. Van appellant zijn nauwelijks kledingstukken aangetroffen en appellante en de hoofdbewoner zouden elkaars kleding gebruiken. Ook verzorgingsproducten zouden gezamenlijk worden gebruikt. Verder is niet duidelijk geworden waar appellanten sliepen. Zij hadden kennelijk geen eigen bedden. De op 18 januari 2013 afgelegde verklaringen van appellanten ondersteunen de bevindingen van het huisbezoek en hebben de gerezen onduidelijkheden niet weggenomen. Appellant heeft verklaard op zolder op de grond te slapen. Appellante heeft verklaard dat zij ook op zolder op de grond slaapt, maar dat zij, als appellant er is, bij haar nichtje op de kamer slaapt. Appellanten hebben beiden verklaard dat zij vaak elders slapen. Appellant verklaarde veel bij zijn vriendin te verblijven of bij vrienden en ongeveer twee nachten per week op het adres en appellante verklaarde dat zij regelmatig bij haar vriend verblijft. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, bieden de resultaten van het huisbezoek en de verklaringen van appellanten van 18 januari 2013 daarom een toereikende grondslag voor de conclusie van het college dat niet kan worden vastgesteld dat appellanten wonen op het adres.


4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




MK