Centrale Raad van Beroep, 26-03-2015 / 13-4540 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:912

Inhoudsindicatie
Weigering ingangsdatum ontslag met twee jaar uit te stellen in verband met verhoging AOW-leeftijd. Appellant was gebonden aan de afspraak die hij met de korpschef had gemaakt over de beëindiging van zijn dienstverband. Vanwege het ook voor de korpschef geldende beginsel van rechtszekerheid had appellant niet meer de mogelijkheid om zonder instemming van de korpschef zijn ontslagverzoek in te trekken. De verhoging van de AOW-leeftijd waarover tijdens de opname van het eindeloopbaanverlof van appellant meer duidelijk is gekomen, levert geen grond op appellant niet gebonden te achten aan zijn afspraak met de korpschef over de beëindiging van zijn dienstverband. De wijziging van de AOW-leeftijd was voor appellant geen onvoorziene omstandigheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-26
Publicatiedatum
2015-03-27
Zaaknummer
13-4540 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/4540 AW

Datum uitspraak: 26 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2013, 13/164 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. J. van Overdam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Overdam. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.E. Allaart en mr. drs. L. van der Toorn.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was aangesteld als ambtenaar van politie, laatstelijk in de functie [naam functie] bij het bureau [naam bureau].


1.2.

Op 6 april 2011 heeft appellant met gebruik van een aanvraagformulier een aanvraag gedaan voor eindeloopbaanverlof over de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012. Bij besluit van 23 juni 2011 heeft de korpschef appellant voor deze periode volledig onbetaald verlof aan het einde van zijn loopbaan toegekend onder opname van het levensloopspaartegoed. Daarbij is tevens vermeld dat appellant aansluitend gebruik zal maken van ABP Keuzepensioen.


1.3.

Nadat bekend was geworden dat de pensioengerechtigde leeftijd voor de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) voor appellant zou worden verhoogd, heeft appellant op 9 mei 2012 verzocht de ingangsdatum van zijn ontslag met twee jaar uit te stellen. Bij besluit van 7 juni 2012 heeft de korpschef dit geweigerd en bij besluit van 19 juni 2012 is appellant op grond van artikel 87 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 1 juli 2012 eervol ontslag verleend.


1.4.

Bij besluit van 23 november 2012 (bestreden besluit) heeft de korpschef de tegen deze besluiten ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Volgens de korpschef is met appellant afgesproken dat hij per 1 juli 2012 met ontslag zou gaan. Op het moment dat appellant met eindeloopbaanverlof is gegaan, was daarom al een vervanger voor hem aangenomen. De verhoging van de AOW-leeftijd is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de gemaakte afspraak niet behoeft te worden nagekomen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van appellant tot uitstel van de ontslagdatum een verzoek is om terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 23 juni 2011. De wijziging van de AOW-leeftijd is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De korpschef heeft daarom terecht het verzoek tot verschuiving van de ontslagdatum afgewezen. Verder heeft de korpschef appellant al met het besluit van 23 juni 2011 impliciet ontslag verleend in reactie op de aanvraag van appellant om eindeloopbaanverlof die impliciet een ontslagaanvraag inhield. Dat op 19 juni 2012 een formeel besluit is genomen tot beëindiging van de ambtelijke status, doet daar niet aan af.


3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak op hierna te bespreken gronden bestreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte de korpsbeheerder als partij aangemerkt. De Raad heeft dit gebrek hersteld.


4.2.

Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 23 juni 2011 heeft gekwalificeerd als een ontslagbesluit. Dit betoog slaagt. Uit de tekst van het besluit van

23 juni 2011 kan niet worden afgeleid dat de korpschef daarbij een beslissing heeft genomen om appellant met toepassing van artikel 87 van het Barp ontslag te verlenen. De enkele vermelding in het besluit dat appellant aansluitend aan het verleende onbetaald verlof gebruik zal maken van ABP keuzepensioen, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is er dan ook ten onrechte vanuit gegaan dat met het besluit van 23 juni 2011 aan appellant ontslag is verleend. Dat gebeurde pas met het besluit van 19 juni 2012. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om uitstel van zijn ontslag ten onrechte aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit. De toetsing van de rechtbank is daarom ten onrechte beperkt tot de vraag of sprake is van na het besluit van 23 juni 2011 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Raad zal daarom de gronden die appellant tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, alsnog beoordelen.


4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij geen aanvraag tot ontslag op eigen verzoek heeft ingediend. De korpschef heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat met appellant een afspraak is gemaakt over de beëindiging van zijn dienstverband en dat deze afspraak tevens een verzoek inhield voor het verlenen van ontslag. Uit de e-mail van appellant aan zijn bureauchef van 11 april 2010 blijkt dat appellant in gesprek was met zijn bureauchef over “de afronding van zijn loopbaan” en dat hij vanwege de onzekerheid over de kabinetsplannen met betrekking tot de AOW-leeftijd nog aarzelde over de datum waarop hij zijn werkzaamheden zou beëindigen. Door het indienen van een aanvraag om eindeloopbaanverlof heeft appellant te kennen gegeven dat hij na opname van dit verlof de dienst wilde verlaten. Eindeloopbaanverlof is volgens artikel 1, aanhef en onder j, van de Regeling levensloop politie (Staatscourant 2013, nr. 25273) namelijk het verlof dat de ambtenaar wordt verleend direct voorafgaand aan zijn ontslag. De vermelding in het besluit van 23 juni 2011 dat appellant aansluitend aan het eindeloopbaanverlof gebruik zal maken van ABP keuzepensioen, geeft aan dat de korpschef er vanuit ging dat appellant met ontslag zou gaan. Daarbij komt dat de korpschef al voor het vertrek van appellant een vervanger voor zijn functie had aangesteld. Ook dit duidt op een afspraak van partijen dat appellant niet meer zou terugkeren in zijn functie.


4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij zijn ontslagverzoek heeft ingetrokken voordat hem bij besluit van 19 juli 2012 ontslag is verleend. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) worden afspraken over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband, neergelegd in een overeenkomst tussen een ambtenaar en zijn bevoegde gezag, aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bevoegde gezag toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo’n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van rechtszekerheid dat niet alleen geldt voor het bestuursorgaan maar ook voor de ambtenaar. Appellant was gebonden aan de afspraak die hij met de korpschef had gemaakt over de beëindiging van zijn dienstverband. Vanwege het ook voor de korpschef geldende beginsel van rechtszekerheid had appellant niet meer de mogelijkheid om zonder instemming van de korpschef zijn ontslagverzoek in te trekken. Te minder omdat de korpschef afgaande op het overeengekomen vertrek van appellant een vervanger voor zijn functie had aangetrokken. De verhoging van de AOW-leeftijd waarover tijdens de opname van het eindeloopbaanverlof van appellant meer duidelijk is gekomen, levert geen grond op appellant niet gebonden te achten aan zijn afspraak met de korpschef over de beëindiging van zijn dienstverband. De wijziging van de AOW-leeftijd was voor appellant geen onvoorziene omstandigheid. Uit de e-mail van 11 april 2010 blijkt dat appellant zich heeft gerealiseerd dat een verhoging van de AOW-leeftijd tot de mogelijkheden behoorde. Bij het maken van een afspraak met de korpschef over het einde van zijn dienstverband in aansluiting op eindeloopbaanverlof heeft appellant dit risico ingecalculeerd. De korpschef heeft appellant dan ook mogen houden aan zijn overeengekomen vertrek en heeft hem op goede gronden per 1 juli 2012 ontslag verleend.


4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, gelet op 4.2 met verbetering van de gronden waarop zij berust.


5. Tot slot bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) B. Rikhof




MK