Centrale Raad van Beroep, 26-03-2015 / 13-76 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:917

Inhoudsindicatie
Eervol ontslag op andere gronden. Artikel 8:86 Awb (de zogenoemde kortsluiting) vereist niet dat de voorzieningenrechter ter zitting reeds zijn conclusie over een eventuele kortsluiting bekend maakt. Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en een impasse sprake was. Het college heeft geen overwegend aandeel gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid en de omstandigheden van het geval zijn niet zodanig dat de garantie van een werkloosheidsuitkering, zoals aan appellante is toegekend, niet redelijk kan worden geacht. Daarbij heeft de Raad laten meewegen dat appellante onvoldoende bereid of in staat is gebleken om lering te trekken uit de gerechtvaardigde kritiek die zij op haar wijze van optreden ontving.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-26
Publicatiedatum
2015-03-27
Zaaknummer
13-76 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/76 AW

Datum uitspraak: 26 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 29 november 2012, 12/2488 en 12/2489 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante]te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. L.M. Burger, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2015. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Burger en mr. K. Roos.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was sinds 1 september 2006 werkzaam bij de gemeente Haarlem. Met ingang van 1 juli 2008 werd zij in vaste dienst aangesteld als [woonplaats] bij de afdeling [afdeling]


1.2.

In november 2010 en januari 2011 is appellante enige malen uitgevallen met klachten van psychische aard die mede verband hielden met verstoorde arbeidsverhoudingen op de afdeling. Per 1 april 2011 heeft appellante zich hersteld gemeld; per diezelfde datum is haar buitengewoon verlof verleend in afwachting van een minnelijke schikking over de beëindiging van haar aanstelling. Op 20 januari 2012 heeft het college haar een finaal voorstel gedaan van een beëindigingsovereenkomst. Appellante heeft dit voorstel niet aangenomen.


1.3.

Na een voornemen tot ontslag, waarop appellante heeft gereageerd, heeft het college haar bij besluit van 24 mei 2012 met ingang van 1 juni 2012 op grond van artikel 8:8 van het Ambtenarenreglement 1995 eervol ontslag op andere gronden verleend. Daaraan is ten grondslag gelegd dat een onwerkbare situatie en/of impasse in de weg staan aan een vruchtbare verdere samenwerking en dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet meer van het college mocht worden verlangd. Daarbij is aan appellante ingevolge hoofdstuk 10d van het Ambtenarenreglement 1995 een WW-uitkering, alsmede een aanvullende en een na-wettelijke werkloosheidsuitkering gegarandeerd. Bovendien is haar een budget voor re-integratie toegekend. Voor het toekennen van een zogenaamde plus heeft het college geen aanleiding gezien, omdat het college geen verwijt gemaakt kan worden van het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhouding dan wel impasse. Bovendien heeft appellante meer dan een jaar geen werkzaamheden verricht met behoud van haar volle bezoldiging. Bij beslissing op bezwaar van 21 augustus 2012, verzonden op 29 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren van appellante tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.


2. De voorzieningenrechter heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij overwogen dat sinds de vaste aanstelling van appellante per 1 juli 2008 sprake is geweest van veel spanning en irritatie in de communicatie en samenwerking tussen appellante en haar collega’s. Een en ander vloeide niet alleen voort uit haar, op bepaalde onderdelen als onvoldoende gekwalificeerd, functioneren, maar hield ook verband met haar door collega’s niet altijd als positief en constructief aangemerkte persoonlijke wijze van optreden. Binnen haar werkomgeving heerste gedurende een aantal jaren een sterke onvrede over de houding van appellante ten opzichte van haar collega’s. De relatie met haar leidinggevenden en collega’s kwam hierdoor onder zware druk te staan. Uit een groot aantal gedingstukken blijkt dat de wijze van communiceren van appellante per e-mail bij haar collega’s irritatie en weerstand opriep en dat collega’s bij hun leidinggevende hebben geklaagd over appellante. Niet in geding is dat er collega’s en externe relaties zijn geweest met wie appellante een goede verstandhouding heeft gehad. Maar uit de gedingstukken blijkt ook dat de werkrelatie met de directe collega’s van appellante in de loop der tijd problematischer werd. Door de wijze van communiceren heeft appellante werkverhoudingen onnodig op scherp gezet dan wel danig verstoord. Voorts blijkt dat appellante door het college steeds is gewezen op haar tekortschieten in het communiceren en het samenwerken. Met haar stellingname dat mediation een gepasseerd station was heeft appellante geen inspanning geleverd om tot een gezamenlijk herstel van de arbeidsverhouding te komen. Wel heeft zij op 6 januari 2011 bij de Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen een klacht ingediend tegen haar leidinggevenden en een aantal collega’s, inhoudende dat zij stelselmatig tegenwerking in haar functioneren ondervond. Alles overziende heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er voldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Dit betekent dat het college bevoegd was appellante op grond van artikel 8:8 van het Ambtenarenreglement 1995 eervol ontslag te verlenen. Nu er geen vooruitzicht bestaat op een vruchtbare samenwerking heeft het college in redelijkheid gebruik mogen maken van zijn ontslagbevoegdheid. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat er geen redenen zijn om appellante een zogenaamde plus toe te kennen.


3.1.

Appellante heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.


3.2.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante heeft gesteld dat de voorzieningenrechter ter zitting partijen ten onrechte in het ongewisse heeft gelaten of hij gebruik zou maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak (de zogenoemde kortsluiting). De Raad kan appellante hierin niet volgen. Uit de aangevallen uitspraak blijkt inderdaad dat de voorzieningenrechter pas na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de (hoofd)zaak. De Awb-bepaling vereist echter niet dat de rechter ter zitting reeds zijn conclusie over een eventuele kortsluiting bekend maakt. Wel moet in de oproeping voor de zitting melding gemaakt worden van de mogelijkheid van kortsluiting, zodat partijen daar bij hun voorbereiding rekening mee kunnen houden en eventueel ter zitting argumenten tegen kortsluiting naar voren kunnen brengen. Appellante en haar gemachtigde hebben blijkens de gedingstukken in eerste aanleg onmiskenbaar rekening gehouden met de mogelijkheid van kortsluiting en ook de beroepsgronden in de hoofdzaak toegelicht. Ter zitting is blijkens het proces-verbaal ook op die beroepsgronden van appellante ingegaan en is door geen der partijen bezwaar gemaakt tegen een eventuele kortsluiting. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door deze gang van zaken in haar belangen is geschaad.


4.2.

De Raad onderschrijft het onder 2 weergegeven beeld van de voorzieningenrechter over achtergronden en verloop van de verstoring van de arbeidsverhouding. Appellante heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat de vele e-mails en andere gedingstukken waaruit blijkt dat de wijze van optreden en communiceren van appellante weerstand opriep bij collega’s binnen en buiten de afdeling een vertekend beeld geven of uit hun verband zijn getrokken.


4.3.

Uit de gedingstukken, waaronder de verslagen van functioneringsgesprekken en het uitvoerig gemotiveerde ontslagvoornemen van 23 april 2012, blijkt voorts dat appellante door haar leidinggevende geregeld is aangesproken op haar tekortschieten in het onderscheiden van hoofd- en bijzaken, in communiceren en in samenwerken. Appellante heeft zich echter niet in deze kritiek herkend en deze naast zich neergelegd. Daarbij heeft zij vooral gewezen op omstandigheden die in haar nadeel werkten of op de negatieve rol van anderen.


4.4.

De stelling van appellante dat zij vanaf haar komst bij de afdeling tegenwerking heeft ondervonden omdat collega’s haar haar positie als senior medewerker misgunden, is niet aannemelijk gemaakt. Echter, zelfs indien zo’n sentiment op de afdeling een zekere rol zou hebben gespeeld, dan kan dat nog niet als verklaring dienen voor het feit dat ook vanuit andere afdelingen klachten over haar eisende en onnodig confronterende wijze van optreden werden geuit.


4.5.

De Raad ziet er niet aan voorbij dat appellante zich - mede door de reacties op haar optreden - meer en meer buitengesloten heeft gevoeld op de afdeling en dat er enkele incidenten zijn geweest waarbij collega’s zich onnadenkend of zelfs grof jegens haar hebben geuit. De dienstleiding heeft hierop wellicht te laconiek gereageerd. Anderzijds moet worden vastgesteld dat appellante, ook nadat over de gebeurtenissen was gesproken en daarvoor excuses waren gemaakt, deze incidenten is blijven uitvergroten en deze steeds weer als bewijs voor een patroon van stelselmatige vernedering, pesten en mobbing is blijven presenteren. De Raad acht zo’n patroon echter niet aannemelijk gemaakt.


4.6.

De stelling van appellante dat er geen sprake was van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding kan de Raad niet plaatsen, zeker niet in het licht van de zeer negatieve wijze waarop appellante haar behandeling door collega’s en leidinggevenden beschreven heeft. Het tegenargument van appellante dat ieder op de afdeling zijn eigen taken heeft, en dat collegiale samenwerking op de afdeling niet vereist is, strookt niet met het belang dat bij de afdeling aan de competentie samenwerking wordt gehecht. Ook indien de interviews met collega’s, die het college mede aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, en waarvan de wijze van totstandkoming door appellante is bekritiseerd, buiten beschouwing worden gelaten, bevatten de gedingstukken voldoende aanwijzingen voor het blijvend wederzijds ontbreken van vertrouwen in de mogelijkheid van een vruchtbare verdere samenwerking. In dit verband verwijst de Raad onder meer naar de bijlage bij het verslag van het functioneringsgesprek van 12 december 2008, waar appellante zich naar aanleiding van de jegens haar geuite kritiek afvraagt of ze nog wel op de afdeling wil blijven werken. Uit het verslag van het daarop volgende functioneringsgesprek op 26 juni 2009 en de felle schriftelijke reactie daarop van appellante, gedateerd 10 november 2009, blijkt dat appellante de integriteit van haar leidinggevende en een aantal collega’s in twijfel trekt. In zijn reactie van 30 november 2009 heeft de leidinggevende geconstateerd dat appellante en hij een totaal ander beeld van de werkelijkheid hadden en dat de vraag gerechtvaardigd was of de samenwerking niet beter beëindigd kon worden. In het functioneringsgesprek van

17 juni 2010 komen weer dezelfde kritiekpunten over het functioneren van appellante naar voren als eerder werden geuit. Ook nadien is geregeld sprake van problemen in de samenwerking binnen en buiten de afdeling. Een en ander, gevoegd bij de klacht van appellante van 6 januari 2011 wegens ongewenste omgangsvormen, met een verzoek om interventie, heeft het college doen concluderen dat appellante een werkplek buiten de afdeling met een andere leidinggevende geboden zou moeten worden. Appellante heeft dit echter bij brief van 7 maart 2011 afgewezen, onder meer omdat zij ook geen vertrouwen had in de leiding van die afdeling. Na een vergeefse verkenning van de mogelijkheid van mediation heeft het college naar het oordeel van de Raad op goede gronden geconcludeerd dat van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en een impasse sprake was.


4.7.

De Raad deelt voorts het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid en dat de omstandigheden van het geval niet zodanig zijn dat de garantie van een werkloosheidsuitkering, zoals aan appellante is toegekend, niet redelijk kan worden geacht. Daarbij heeft de Raad laten meewegen dat appellante onvoldoende bereid of in staat is gebleken om lering te trekken uit de gerechtvaardigde kritiek die zij op haar wijze van optreden ontving. Het is vooral daaraan te wijten geweest dat appellante meer en meer geïsoleerd kwam te staan binnen de afdeling. Ook een strakker optreden van de leiding had hieraan weinig kunnen veranderen. Het verwijt van appellante, dat het college zich onvoldoende heeft ingespannen voor andere oplossingen dan ontslag, treft geen doel. Dat andere oplossingen niet zijn gerealiseerd, zoals aan het slot van 4.6 beschreven, heeft naar het oordeel van de Raad vooral aan de opstelling van appellante gelegen.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) M.S. Boomhouwer






MK