Centrale Raad van Beroep, 19-03-2015 / 13-6338 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:932

Inhoudsindicatie
Beëindiging tijdelijk dienstverband. Redelijke grond voor ontslag. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellante niet heeft voldaan aan de hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid die aan een medewerker van Dienst Justitiële Inrichtingen worden gesteld. Door niet te melden dat haar echtgenoot was aangehouden, dat appellante zelf als verdachte door de politie was verhoord en dat sprake was van financiële problemen die geleid hebben tot het leggen van loonbeslag, heeft appellante het vertrouwen dat de minister in haar moet kunnen stellen ernstig geschaad.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-19
Publicatiedatum
2015-03-31
Zaaknummer
13-6338 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6338 AW

Datum uitspraak: 19 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 oktober 2013, 12/10951 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Dijkstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2015. Namens appellante is verschenen mr. Dijkstra. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

C.A.M.J. van Hameren en A. Moggree.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was vanaf 9 mei 2011 in tijdelijke dienst aangesteld bij het [afdeling] van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), Ministerie van Veiligheid en Justitie, in de functie van medewerker personeelsbeheer. De aanstelling is verleend voor een tijdelijk beroep op de arbeidsmarkt als bedoeld in artikel 6, tweede lid onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en per 1 januari 2012 verlengd tot 31 december 2012.


1.2.

Nadat de minister zijn voornemen daartoe had kenbaar gemaakt en appellante daarop haar zienswijze had gegeven, heeft de minister bij besluit van 4 mei 2012, met toepassing van artikel 95, tweede lid onder b en achtste lid, van het ARAR, het dienstverband van appellante met onmiddellijke ingang beëindigd, met uitbetaling van bezoldiging over de voor haar geldende opzegtermijn van twee maanden.


2. Bij besluit van 17 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft de minister dit ontslagbesluit na gemaakt bezwaar gehandhaafd. De minister heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen. De minister heeft dit standpunt gebaseerd op het feit dat appellante, in strijd met de Gedragscode Dienst Justitiële Inrichtingen van 3 november 2009 (Gedragscode), niet heeft gemeld dat haar (toenmalige) echtgenoot P was aangehouden, dat zij zelf als verdachte was verhoord door de politie en dat sprake was van ernstige financiële problemen als gevolg waarvan loonbeslag was gelegd. De door appellante afgelegde verklaringen voor het feit dat zij dit niet meteen heeft gemeld zijn niet consistent en leiden niet tot een ander standpunt. Appellante heeft zich aldus niet als een goed ambtenaar gedragen en in strijd met de geldende Gedragscode gehandeld.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante was aangesteld in tijdelijke dienst. Op grond van artikel 95, tweede lid, van het ARAR kan aan de ambtenaar in een dergelijk geval ontslag worden verleend, mits een opzegtermijn van twee maanden in acht wordt genomen. Ingevolge het achtste lid kan het ontslag, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Naar vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 9 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3052) kan een ontslag als hier aan de orde op elke redelijke grond worden verleend. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat het bestuursorgaan daarmee niet in strijd komt met geschreven of ongeschreven recht.


4.2.

Appellante heeft betoogd dat de rechtbank haar ontslag ten onrechte niet heeft getoetst als ware het een strafontslag. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen als plichtsverzuim gelden. Zij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6914. De Raad volgt appellante hierin niet. In voornoemde uitspraak was plichtsverzuim ten grondslag gelegd aan het tussentijdse ontslag. Of de gedragingen van appellante mogelijk - ook - als plichtsverzuim zouden kunnen worden aangemerkt is niet van belang, nu de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen niet als plichtsverzuim zijn aangemerkt, noch strafontslag aan appellante is verleend. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het bestuursorgaan bij samenloop van ontslaggronden een zekere keuzevrijheid heeft (uitspraak van 3 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8443, TAR 2010, 135), waarbij geldt dat de grond van de gedane keuze duidelijk moet kunnen worden aangetoond.


4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante niet heeft voldaan aan de hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid die aan een medewerker van DJI worden gesteld. Door niet, althans niet meteen, te melden dat P was aangehouden, dat zij zelf als verdachte door de politie was verhoord en dat sprake was van financiële problemen die geleid hebben tot het leggen van loonbeslag, heeft appellante het vertrouwen dat de minister in haar moet kunnen stellen ernstig geschaad. Appellante betwist niet dat zij van voornoemde feiten en omstandigheden niet meteen melding heeft gemaakt. Zij heeft aangevoerd dat zij volledig overdonderd en in de war was als gevolg van de onverwachte aanhouding van P en de onduidelijkheden over de reden ervan. De Raad heeft begrip voor de situatie waarin appellante zich meteen na de aanhouding van P bevond, maar dat neemt niet weg dat zij van voornoemde voorvallen meteen melding bij haar leidinggevende had moeten maken. Na de aanhouding van P heeft appellante nog een halve dag gewerkt en een halve dag verlof opgenomen. Daarna heeft zij zich ziek gemeld. Dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, niet wist waarom P was aangehouden en in de veronderstelling was dat hij snel vrijgelaten zou worden, doet er niet aan af dat zij die aanhouding meteen had moeten melden. Dit geldt ook voor het feit dat appellante zelf als verdachte was verhoord door de politie. Zij is op

29 maart 2012 als verdachte gehoord en heeft dit eerst op 3 april 2012 aan haar leidinggevende verteld. Appellante heeft aangevoerd dat zij uitsluitend om processuele redenen is aangemerkt als verdachte. Wat hiervan ook zij, dit doet niet af aan de op haar, op grond van de Gedragscode, rustende verplichting hiervan meteen melding te maken aan haar leidinggevende. Wat de financiële problemen betreft heeft appellante aangevoerd dat zij hiervan niet op de hoogte was omdat P al haar financiële zaken regelde. Dit neemt niet weg dat zij hiervoor zelf verantwoordelijk is gebleven, zodat zij zich er niet met succes op kan beroepen dat zij nergens van wist. Appellante heeft nog aangevoerd dat de minister eerder dan zijzelf op de hoogte was van de verdenkingen tegen P en van de loonbeslagen, zodat de minister haar niet kan tegenwerpen dat zij haar meldingsplicht niet is nagekomen. De Raad volgt appellante hierin niet. Dat haar leidinggevende op andere wijze reeds was geïnformeerd ontslaat appellante immers niet van haar eigen verplichting. Uit het vorenstaande volgt dat de minister appellante op redelijke gronden ontslag heeft verleend.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

E.R. Eggeraat als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.A.W. Zijlstra





MK