Centrale Raad van Beroep, 27-03-2015 / 13-553 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:940

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Niet gebleken dat de FML geen juiste weergave van de beperkingen van appellant bevat. De geduide functies zijn passend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-27
Publicatiedatum
2015-03-31
Zaaknummer
13-553 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/553 WAO

Datum uitspraak: 27 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 december 2012, 11/3665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arentz-Veldkamp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 23 augustus 1999 in verband met knieklachten uitgevallen voor zijn werk als medewerker wasserij. Met ingang van 21 augustus 2000 is aan hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van re-integratie is appellant in 2005 werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur gaan verrichten. Nadat een herbeoordeling resulteerde in een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 20 juni 2005 ingetrokken.


1.2.

Op 10 oktober 2008 is appellant uitgevallen met (toegenomen) knieklachten. Na onderzoek heeft de verzekeringsarts op 6 september 2010 geconcludeerd dat per 10 oktober 2008 sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid van appellant binnen vijf jaar na de laatste herbeoordeling in 2005 wegens dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor hem destijds een WAO-uitkering is toegekend. Bij besluit van 10 november 2010 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 7 november 2008 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid 80 tot 100%. Tevens heeft de verzekeringsarts tijdens het onderzoek op 6 september 2010 met in achtneming van de informatie uit de behandelende sector geconcludeerd dat appellant op 6 september 2010 weliswaar verminderd belastbaar is, maar wel benutbare mogelijkheden heeft. De beperkingen ten aanzien van de knieklachten beiderzijds heeft de verzekeringsarts vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 september 2010. Vervolgens is de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 27 september 2010 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk van vrachtwagenchauffeur maar nog wel voor een viertal andere functies. Op basis van de drie hoogst betaalde functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 35 tot 45%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 12 november 2010 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 november 2010 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.


1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 november 2010 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 15 april 2011 een rapport opgesteld. Zij heeft zich na bestudering van de dossiergegevens en de informatie van de orthopedisch chirurg W.G. Horstmann kunnen verenigen met het standpunt van de verzekeringsarts, zij het dat een aantal beoordelingspunten in de FML van 6 september 2010 nader voorzien dienen te worden van aanvullende beperkingen. Deze aanvullende beperkingen zijn neergelegd in een FML van 18 april 2011. Met inachtneming van de nieuwe FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige drie van de vier geselecteerde functies gehandhaafd waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend is op 45 tot 55%. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 27 mei 2011 (het bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2010 gegrond verklaard en met ingang van 28 november 2010 de WAO-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek verricht naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Appellant is onderzocht op het spreekuur van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De artsen hebben het dossier bestudeerd en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond. Voorts heeft een tweede verzekeringsarts bezwaar en beroep nader gerapporteerd. Het in beroep overgelegde medisch bericht van de orthopedisch chirurg Horstmann van 26 juli 2011 bevat dezelfde informatie als diens bericht van 15 maart 2011 en deze informatie is uitdrukkelijk betrokken in de heroverweging. Appellant heeft verder geen medische stukken overgelegd die aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat de beperkingen zouden zijn onderschat. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen onjuist te achten.


2.2.

Tot slot is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies in voldoende mate is aangetoond en dat het op basis van de drie uiteindelijk voor appellant geselecteerde functies berekende arbeidsongeschiktheidspercentage niet voor onjuist kan worden gehouden. Dit heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat het Uwv de bij appellant op en na 28 november 2010 bestaande mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 45 tot 55%.


3. In hoger beroep wijst appellant nogmaals op de informatie van de orthopedisch chirurg Horstmann die in een brief van 26 juli 2011 heeft aangegeven dat naar aanleiding van een MRI een verdenking van een scheur in de laterale meniscus in de linkerknie bestaat. Er is sprake van kraakbeenschade en de voorste kruisband van de rechterknie is grotendeels gerupteerd. Dit feit is onvoldoende meegenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het vaststellen van de beperkingen, waardoor deze arts een te rooskleurig beeld heeft over wat appellant kan met een brace om zijn rechterknie. Voorts acht appellant een discrepantie in de FML aanwezig doordat daarin is vastgesteld dat knielen/hurken nauwelijks mogelijk is terwijl het geknield en gehurkt actief wel mogelijk is maar slechts voor minder dan 5 minuten. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt nog nadere medische informatie van verschillende data overgelegd van de orthopedisch chirurg en radiologen. Tot slot zijn de geselecteerde functies niet geschikt vanwege het tillen, het knielen en hurken, de zitfunctie in de functies mede gelet op de buighoek van de knie en de beenruimte alsmede het feit dat in één functie een voetpedaal moet worden bediend.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven, evenals de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt daar het volgende aan toe. In haar rapport van 15 april 2011 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep, zich daarbij mede baserende op informatie van de orthopedisch chirurg Horstmann, uitvoerig en inzichtelijk uiteengezet wat de afwijkingen zijn in de rechterknie van appellant. In dat rapport en in de FML van 18 april 2011 is eveneens inzichtelijk en goed gemotiveerd uiteengezet tot welke beperkingen in de belastbaarheid die afwijkingen leiden. In haar rapport van 17 november 2011 noemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens de door Horstmann in zijn brief van 26 juli 2011 genoemde verdenking van een scheur in de laterale meniscus van de linkerknie, evenals de, volgens Horstmann, goede prognose van die knie. De nadien nog door appellant ingebrachte informatie van Horstmann en de radiologen bevat, zoals de verzekeringsarts in bezwaar en beroep ook steeds heeft gerapporteerd, geen nieuwe relevante informatie voor de datum in geding. De grond dat de beperkingen, vastgelegd in de FML van 18 april 2011, geen recht doen aan het knieletsel van appellant is met de informatie van Horstmann en de radiologen aldus niet nader medisch onderbouwd en slaagt daarom niet. In haar rapport van 15 april 2011 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verder uiteengezet dat voor de score op het onderdeel ‘knielen en hurken’ uit de FML van belang is dat grondbereik via het buigen van de rug mogelijk is. Daarbij blijkt uit het resultaat functiebeoordeling dat ‘statisch geknield en gehurkt actief zijn’ in de geselecteerde functies niet voorkomt. De Raad is ook op dit specifieke punt niet gebleken dat de FML van 18 april 2011 geen juiste weergave van de beperkingen van appellante bevat. Voor benoeming van een deskundige ziet de Raad geen aanleiding.


4.2.

Voorts is ook de Raad van oordeel dat de geschiktheid van appellant voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate bij rapporten van 26 mei 2011, 27 februari 2012 en 1 juni 2012 is gemotiveerd door de arbeidsdeskundige in bezwaar en beroep. Wat in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de geschiktheid van de functies is een herhaling van hetgeen in beroep is aangevoerd. Deze gronden zijn besproken in het rapport van de arbeidsdeskundige in bezwaar en beroep van 1 juni 2012. Naar het oordeel van de Raad zijn deze gronden daar overtuigend weerlegd. De Raad voegt daaraan toe dat het vereiste dat appellant grondcontact nodig heeft om de buighoek van zijn knie te veranderen niet valt af te leiden uit de rapporten van de verzekeringsartsen of de informatie van Horstmann.


4.3.

Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) V. van Rij




DK